auteur: Maxine Kopsa
Een cliché: Op een dag open je het raam van je fonkelnieuwe huis ergens in Duitsland en voor het eerst valt je oog op de vensterbank die onder je naar buiten steekt. En wat zie je daar op je eigen vensterbank? Warempel een netjes uitgesneden hakenkruis! Kinderen, denk je. Of misschien toch niet. Vast een kwajongensstreek, hoop je – maar dan nog... Hier, in deze context, krijgt zulke graffiti een lading die er meer van maakt dan een oprisping van slechte smaak of een kinderlijke dwaling. Omdat je in Duitsland bent, en in je eigen huis bovendien, is de betekenis van het hakenkruis extra stuitend: er is een invasie aan de gang, je territorium wordt geschonden, en historische gebeurtenissen en een belastende ideologie – brokstukken van aan anderen ontleende, tot dan toe gefossiliseerde informatie – worden ineens tot levend deel van je werkelijkheid.
Maxine Kopsa
Informatie ontleend aan een cliché ervaring
Dit mag een cliché zijn, maar ik denk dat het iets vertelt. Wat geldt voor de min of meer openbare uiting in de bovenbeschreven situatie is ook van toepassing op de publieke kunst in het algemeen. Volgens mij zijn er tussen graffiti en openbare kunst twee overeenkomsten. Ten eerste wordt een object, of het nu in opdracht is vervaardigd of niet, beter waargenomen wanneer het in een ‘verkeerde’ omgeving is geplaatst. Er treedt dan een soort storing op die de zichtbaarheid vergroot. En ten tweede kan het openbaar worden van iets persoonlijks dikwijls een heel stille gebeurtenis zijn, een ontmoeting die zich voltrekt zonder aankondiging vooraf, afhankelijk van waar je toevallig verzeild raakt en in wat voor stemming je bent. Zowel graffiti als openbare kunst worden door de maker achtergelaten op straat, zonder verklarende context, overgeleverd aan een passant die er een betekenis aan wenst te geven. Of toevallig het raam opendoet.
Zo kom je van het ene cliché op het andere: van het hakenkruis op de relativerende werking van de context. En meer nog dan dat – en hier kom ik straks nog op terug – uiteindelijk voert dit alles naar het ultieme cliché: als er in het bos een boom omvalt, is er dan iemand die dat hoort?
Het postmodernisme had de werkelijkheid voorgoed getemd: de complexe wereld werd verklaard als een verzameling verhalen die altijd betrekkelijk waren, en werkelijkheden werden begrepen vanuit hun relatie tot een context. Het ging, kortom, telkens weer om toe-eigening, en het is grappig om te zien hoe dit aspect van het postmodernisme nog altijd hoge ogen gooit bij het maken en het beleven van openbare kunst.
Je doet een raam open en krijgt een klap in je gezicht van iets dat daar niet zou moeten zijn. Of bovenop een grasbult ontdek je een mobiele bioscoop met een rechthoekig gat in plaats van een projectiescherm. Of je wandelt door bebost terrein, passeert een betonnen poort die nergens heen voert en een kunstmatige windstoot grijpt je bij de lurven. Of je bewandelt een pad en vindt helemaal niets.
“Het is maar hoe je het bekijkt�, lijkt Job Koelewijns Bioscoop op Wielen, gerealiseerd voor een kunstproject in Oostellingwerf in 1999, ons te willen zeggen. Bovenop de grasbult kom je in een ruimte waar je gaat zitten kijken naar wat je altijd ziet – maar nu zie je het anders. Je herbekijkt de totaliteit van de wereld en de beperktheid van je eigen blik, en je wordt je bewust van het tussenliggende verschil.
“Het is allemaal een kwestie van conditionering, van wat je gewend bent, van je eigen veroordelen�, lijkt de boodschap van Roman Signers Windtunnel. De windtunnel kwam in 2002 in het kader van Kunstmatige Natuurlijke Netwerken in opdracht van De Verbeelding en SKOR in Zeewolde tot stand. Terwijl je een pad volgt, blaast uit een betonnen poort met veel herrie een windstoot. In het voorbijgaan valt je in dat die windstoot alleen voelbaar was voor jou – en je beseft dat de wind normaal nooit van jou alleen is.
Op een voorjaarsdag in 1986 maakte Stanley Brouwn achter de school van Het Stift in het ruilverkavelingsgebied Weerselo-Dulder, een wandeling waarvan het ‘bewijsmateriaal’ nooit werd geïnstalleerd. “Het is maar wat je ervan verwacht�, lijkt de boodschap als je je op die plek bevindt en inderdaad niets ziet. Je hebt over dit kunstwerk gelezen, je kunt je voorstellen hoe het er had moeten uitzien en je denkt: “Ik herhaal nu de handelingen van iemand die mij is voorgegaan, en word deelgenoot van een belevenis van iemand die ik helemaal niet ken�.
Het afgezaagde van deze drie inzichten valt moeilijk te verbergen. Maar voor het ontrafelen van een cliché moet je nu eenmaal niet op een clichétje meer of minder kijken. Koelewijn en Signer, en op een minder evidente manier ook Brouwn, hebben zich de werkelijkheid toegeëigend, en deze vervolgens ondergebracht in een werkelijkheid. Daarmee brengen ze aan het licht dat we soms vergeten dat de verhalen waarmee we zo vanzelfsprekend door het leven gaan, berusten op ‘ontleende informatie’, informatie die we ons nooit echt eigen hebben gemaakt.
Door een simpele ingreep accentueren deze kunstenaars in onze beleving het element van de ‘ontleende informatie’ – de wind, het uitzicht, een wandeling of een reis. Ze maken ons zo bewust van de geconstrueerdheid en de betrekkelijkheid van onze verhalen over de wereld. En tegelijk doen ze ons beseffen dat die verhalen, al zijn ze nog zo bij elkaar geleend, daarmee niets van hun betekenis of zin verliezen. En hun eigenaardigheid verliezen ze al evenmin.
A en B zoeken op een dijk naar de voorwerpen C, D en E. A zegt tegen B: “Waar dan? Er is hier niets. Ik zie helemaal niets!� A wendt zich tot voorbijgangers X en Z: “Waar is het nou? Weten jullie het? Het zou hier moeten zijn�. X en Z lachen en trekken een gezicht alsof ze meer weten. “Het is inderdaad hier.� “Wat dan? Hoe bedoel je?�, brult A woedend, “Er is hier niets�. A wendt zich weer tot B, die hem toevoegt: “Precies A, precies – je zit er middenin�.
Op naar het ultieme cliché: als die boom valt in dat bos, is er dan iemand die dat hoort? Of, met het oog op de openbare kunst een betere vraag: als die boom valt, trekt iemand zich daar dan iets van aan? En het antwoord is uiteraard betrekkelijk: misschien trekken veel mensen zich er niets van aan, maar sommigen zullen het kunstwerk vervloeken of er juist gelukkiger van worden. Dus er zijn mensen wiens werkelijkheid door het vallen van de boom verandert, al is het nog zo weinig. Waarschijnlijk is de beste openbare kunst, kunst waarvan je je niet realiseert dat hij openbaar is.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte













