auteur: Melis
De laatste jaren richt de zorg in psychogeriatrische verpleeghuizen zich steeds meer op de belevingswereld van de patiënten. De ontwikkelingen in de architectuur en het interieur van de verpleeghuizen sluiten hier nauw bij aan. Ook de beeldende kunst zoekt naar manieren om contact te bewerkstelligen met een groeiende groep bewoners, die buiten de maatschappij dreigt te vallen, maar die net als ieder mens een fundamenteel recht heeft om op een menswaardige manier de laatste levensdagen door te brengen.
Liesbeth Melis
Aandacht voor de demente medemens in architectuur en kunst
Serre met looproute in Verpleeghuis Pniël, ontwerp Tjeerd Dijkstra. Foto Ger van der Vlugt
In 2002 verscheen een alarmerend rapport van de Gezondheidsraad, waarin zij het ministerie van WVS advies geeft over de zorg voor mensen met dementie.1 In een van de persberichten van de Stichting Alzheimer naar aanleiding van dit rapport wordt zelfs gesproken van een grijze tijdbom.2
In 2050 wordt het aantal patiënten dat lijdt aan de ziekte van Alzheimer, een van de meest voorkomende vormen van dementie, door de toenemende vergrijzing naar verwachting verdubbeld van ruim 175.000 nu tot 412.000 in 2050. Naar verhouding zijn er echter steeds minder jongeren om hen te verzorgen. Jaarlijks zullen er zes tot acht verpleeghuizen bij moeten komen en zal er gezocht moeten worden naar alternatieve en onorthodoxe oplossingen, waarbij dementerenden niet weggestopt worden in verpleeghuizen, maar deel uit kunnen blijven maken van de maatschappij en ambulant verzorgd kunnen worden. En dat allemaal, terwijl er te weinig geld is en onvoldoende geschoold en toegewijd personeel. Juist dat laatste is belangrijk. Rust en regelmaat zijn essentieel voor het welbevinden van deze groep.
Alles wat tot dan toe vanzelfsprekend leek in het dagelijks leven zorgt vanaf het moment dat de ziekte van Alzheimer zich openbaart voor onrust, stress, onzekerheid, paniek en angst. Naast een kwantitatief probleem is er dus een kwalitatief probleem, dat de druk op de zorg in de verpleeghuizen alsmaar verder opvoert. De tijd dat een dementerende op zijn of haar kamer werd weggestopt en slechts hulp kreeg vanuit efficiencyoverwegingen en waarbij de patiënt het vaak moest ontgelden, lijkt voorbij. In de verpleeghuizen wordt er steeds meer aangedaan om patiënten de zorg te geven waar zij behoefte aan hebben.
Tot op heden zijn er geen opzienbarende ontdekkingen gedaan die de ziekte tot stilstand kunnen brengen, laat staan genezen; de ontwikkelingen richten zich dan ook vooral op de zorg, waarbij het bestrijden van de symptomen centraal staat. Doordat patiënten in een nieuwe omgeving terechtkomen en ze moeite hebben hun ziekte te accepteren, is het creëren van een vertrouwde en veilige omgeving onontbeerlijk. Omdat per persoon de oorzaken die leiden tot stress zeer verschillend zijn wordt steeds vaker gekozen voor een individuele benadering van de patiënt. Deze zogeheten ‘belevingsgerichte zorg’ is zorg die persoonlijk en emotioneel is en in sociologisch en historisch opzicht aansluit bij de persoon. Ze is gebaseerd op een aantal karakteristieken: het bevestigen van gevoelens van dementerenden (validation), herinneringen ophalen met behulp van bijvoorbeeld foto’s of voorwerpen (reminiscentie), het kalmeren en contact leggen door geluiden, geuren of knuffels (snoezelen), de afwezigheid van dwang en het streven naar huiselijkheid (gentle care), het bieden van hulp bij oriëntatie, en aandacht voor een goede lig- en zithouding en ontspanningsoefeningen.3
Hoe mooi dit alles ook lijkt, hier en daar klinken kritische geluiden.
Bert Keizer verpleeghuisarts en auteur van de bestseller «Het refrein is Hein»4, vestigt er de aandacht op dat geruststelling, troost, liefde, tederheid en vertier cultuurgebonden zijn en dat er een enorme kloof bestaat tussen wat families wensen en wat mogelijk is. ‘Hoe zou ik zulke zorg kunnen geven aan een 88-jarige Dajak uit Indonesië? Omgekeerd lukt dat ook niet. Onze teams zijn voor negentig procent allochtoon, de bewoners autochtoon. Lekker is dat. We praten daar liever niet over, maar het is wel een realiteit die de gewenste zorg in de weg staat.’5
Ontwikkelingen in de architectuur
Over belevingsgerichte zorg wordt vooralsnog voornamelijk gepraat en nagedacht. In de praktijk komen veranderingen slechts mondjesmaat tot stand. Volgens Erik de Vrijer, interieurarchitect bij EGM-architecten en betrokken bij veel verpleeghuizen, staat efficiëntie in de zorg toch nog steeds voorop. Het is volgens hem nog maar de vraag of de aandacht voor de bedrijfsvoering alleen uiteindelijk wel zo efficiënt is. Als patiënten zich beter voelen en minder last hebben van allerlei psychosociale symptomen, zou het wel eens zo kunnen zijn dat het plezier in het werk van het verplegend personeel wordt verhoogd en dat een imagoverbetering van de slecht bekend staande zorg optreedt zodat het gemakkelijker wordt personeel te motiveren en aan te trekken. Een van de problemen waar De Vrijer als ontwerper mee te maken heeft is dat de opdrachtgevers meestal in platte organisaties opereren waar veel inspraak is en visies in compromissen blijven steken. Desondanks komen er steeds meer verpleeghuizen, waar geprobeerd wordt nieuwe opvattingen en ideeën ten aanzien van de zorg daadwerkelijk door te voeren. Onherroepelijk heeft dat consequenties voor de architectuur en het interieur, maar ook voor de organisatie, opzet en betekenis van zorginstellingen. Zo wordt steeds meer nagedacht hoe voorkomen kan worden dat mensen in verpleeghuizen buiten de maatschappij komen te staan, over manieren om bewoners gevoelens van veiligheid en koestering te geven en te bewerkstelligen dat mensen zich ‘thuis’ voelen. Immers, daar waar de zorg toeneemt dreigt ‘het wonen’ af te nemen. Gezocht wordt naar mogelijkheden om psychogeriatrische patiënten zolang mogelijk zelfstandig te laten wonen zonder dat dit een te zware belasting voor de directe familieleden veroorzaakt. Verpleeghuizen veranderen dan ook steeds meer in verpleegcomplexen, waarvan ‘aanleunwoningen’ en gebouwen voor ambulante hulp -naast gesloten gebouwen voor intensieve zorg- deel uitmaken.6 We zien ontwikkelingen, waarbij de oorspronkelijke verzorgende en behandelende functies vermengd worden met andersoortige functies, zoals kinderopvang. Ook worden steeds vaker mensen met dezelfde etnische en culturele identiteit bij elkaar geplaatst. In de verpleeghuizen zelf maakt de traditionele typologie met lange, anonieme gangen plaats voor een paviljoenachtige opbouw, waar in kleine wooneenheden gewoond en gezorgd wordt. In deze kleine woongemeenschappen worden mensen bij elkaar geplaatst met dezelfde sociale en of culturele achtergrond. De bewoners worden gestimuleerd om zoveel mogelijk deel uit te blijven maken van het ‘normale’ leven en actief te blijven in bijvoorbeeld het onderhouden van sociale contacten of het voeren van de huishouding.
Het ontwerp van Hans Ruyssenaars van de Architectengroep voor het centrum voor verpleeghuiszorg Polderburen in Almere is in dit verband een interessant voorbeeld. Hij heeft gekozen voor kleinschalige overzichtelijke wooneenheden voor 12 tot 14 bewoners. De wooneenheden zijn opgevat als onderdeel van de woonwijk, waarin het verpleeghuis ligt. Ze zijn als huizen aan omringende wegen gesitueerd met elk een eigen voordeur, een woonkamer en een keuken aan de straat. Tussen de wooneenheden liggen binnenhoven, waar de een- en tweepersoonskamers op uit kijken. Aan de achterzijde komen de wooneenheden uit op een binnenstraat die grenst aan een omsloten tuin. Via de binnenstraat zijn de wooneenheden verbonden met de meer publieksgerichte functies, zoals de kapsalon, het restaurant, de leestafel en het behandelcentrum. Deze ruimtes zijn ook toegankelijk voor de psychogeriatrische bewoners. In dit ontwerp is veel aandacht besteed aan de ruimtes tussen de bebouwing. Als een soort contramal bewerkstelligt deze tussenruimte een onderlinge samenhang tussen de verschillende onderdelen en tevens een verankering in de omgeving en daarmee de maatschappij.
Ook in het onlangs opgeleverde verpleeghuis Pniël in Rotterdam naar ontwerp van Tjeerd Dijkstra is het de inzet geweest om de overgang van het vroegere leven naar het leven in een verpleeghuis te verzachten. Twee haakvormige volumes zijn zo geschakeld dat er een wand aan de straatzijde ontstaat en een binnentuin, die toegankelijk is voor somatische patiënten en buurtbewoners.7 De gesloten afdeling voor psychogeriatrische patiënten ligt in de oksel van het gebouw. De kamers zijn zo gerangschikt dat uitzicht op de tuinen van buurtbewoners mogelijk is. Bovendien kon een serre worden aangelegd met een loopcircuit zodat voorkomen wordt dat patiënten voor dichte deuren aan het einde van de gang komen te staan. Het ontwerp voor de serre voorziet in een uitvoerig beplantingsschema en zou moeten fungeren als een soort grote volière. Met deze inrichtingsvoorstellen wilde Tjeerd Dijkstra bereiken dat de patiënten zoveel mogelijk zintuiglijke stimulansen zouden krijgen. Helaas zijn deze voorstellen niet uitgevoerd. In de interieurs wordt huiselijkheid verkregen door met gewone plafonds, houten kozijnen en balkons een woonmilieu te creëren dat zoveel mogelijk refereert aan een vertrouwde woonomgeving.
Het verpleeghuis legt op deze wijze zowel een relatie tussen het gebouw en de plek als tussen het individu en de omgeving.Ook in het interieurontwerp voor een verpleeghuis in Leidschendam van Erik de Vrijer is veel aandacht voor het individu. Standaardoplossingen zijn vermeden. Hij ontwierp slechts de basisstructuur, zodat bewoners hun eigen kast van thuis of de fauteuil waar ze aan gehecht zijn in de centrale woonkamer kunnen zetten, zonder dat er een chaotisch geheel ontstaat. Ook konden ze een behangetje uitkiezen waar ze zich bij thuis voelen. In De Vrijers ontwerpopvatting is het belangrijk dat de bewoners hun eigen, intieme sfeer neerzetten.
Volgens Erik de Vrijer is het arrogant te denken dat je als ontwerper die bewoners een bepaalde vormentaal op mag leggen, een vormentaal die eerder beantwoordt aan de smaak van de architect dan aan de smaak van de bewoner. Hij nuanceert deze stellingname, afhankelijk van de graad van openbaarheid. In het meer publieke gedeelte, waar de buitenwereld naar binnen wordt gehaald door een winkel, café of kapsalon, gelden uiteraard andere, meer neutrale criteria. Omdat de gebruikers hier te divers zijn, kunnen bewoners hier niet hun eigen sfeer scheppen.
Bijdragen vanuit de kunst
In aansluiting bij deze tendens in de vormgeving van de architectuur en het interieur, tonen ook veel kunstwerken die de afgelopen jaren in de verpleeghuizen op het gebied van de psychogeriatrie zijn gerealiseerd, veel aandacht voor de belevingswereld van de gebruiker. Marrie Bot is een van de eerste die begonnen is met een kunstproject, dat gebaseerd is op herkenning, in het Rotterdams verpleeghuis Hannie Dekhuizen (1990). Het werk, dat gerealiseerd werd in opdracht van Stichting Humanitas en begeleid door SKOR, bestaat uit foto’s van geënsceneerde composities van herinneringen van de bewoners aan de tijd van hun vroege volwassenheid. (zie pag 22 e.v.)
In 1994 werd een wandschildering van Robert Greene gerealiseerd in het psychogeriatrisch verpleeghuis Gereia in Oldenzaal. Dit schilderij laat drie allegorische taferelen over jeugd, volwassenheid en ouderdom zien. Hierin zijn allerlei figuren uit kinderdromen, sprookjes en het circus in een idyllische landschappelijke omgeving opgenomen. Deze figuren brengen psychogeriatrische bewoners in aanraking met de fantasievolle wereld van het kind.
David Bade maakte in het Zonnehuis in Vlaardingen plafondschilderingen, waarbij een element van het plafond naar beneden kan zakken om als podium te fungeren voor diverse activiteiten. Doel van het kunstwerk was de patiënten zoveel mogelijk te activeren door ze actief te betrekken bij het kunstwerk, zowel bij het maken van de schilderingen als bij het functioneren als podium. Helaas is dit onderdeel nooit uitgevoerd.
Het werk van Mirjam de Zeeuw voor verpleeghuis De Poort in Amsterdam, (1999) gaat in op de herinnering. Zij fotografeerde interieurs van allerlei typen ruimtes, die ook in het verpleeghuis aanwezig zijn, zoals een huiskamer en een kapsalon, op andere plekken en uit andere periodes. Deze foto’s werden opgehangen in de ruimtes van het verpleeghuis met dezelfde functie.
(zie pag. 34 e.v.) Hans van Bentem leverde in 2001 een werk op in het E.D. Dekkerhuis in Amsterdam, waarin hij de vier seizoenen verbeeldt.
Hij maakt hierbij gebruik van een naïef en kinderlijk aandoende beeldtaal, die herkenbaar is en de patiënten moet aanspreken. (zie pag. 50 e.v.)
In het Verpleeghuis Rijckehoven in Capelle a/d IJssel richtte Sasha Brodsky zijn aandacht op het verstrijken van de tijd en de kracht van het menselijk geheugen. (zie pag.30 e.v.) In drie vitrines plaatste hij gipsafgietsels van allerlei objecten, die niet gemaakt zijn naar de werkelijkheid maar hun vorm hebben gekregen op basis van zijn eigen herinnering. (2001) Een aardige anekdote in dit verband gaat over een vrouw met Alzheimer die bij het zien van een in gips afgegoten ouderwetse typemachine begon te glunderen van plezier. Spontaan begon ze te vertellen over het ondeugende leven dat ze leidde toen ze als typiste op een groot kantoor werkte.
Ook Roy Villevoye gaat in op de herinnering. Hij vroeg een aantal bewoners een foto in te leveren van de plek waar zij de beste herinnering aan bewaren of hem te vertellen over die speciale plek. Deze plekken fotografeerde Roy Villevoye wanneer mogelijk opnieuw en liet ze in een speciale zeefdruktechniek aanbrengen op de ramen van het café-restaurant op de begane grond van het verpleeghuis Kempenhof in Valkenswaard (2001). Door de combinatie van deze foto’s met de verhalen die er bij horen ontstaat een soort ‘oral history’. (zie pag.44 e.v.)
Daarnaast zijn er kunstwerken ontwikkeld die ingaan op het fenomeen snoezelen, een term die internationaal wordt gebruikt en duidt op het activeren van de zintuigen. Erik Weeda bijvoorbeeld ontwikkelde in verpleeghuis De Voord in Elburg het Sensorisch Cafetaria De Luwte, een ruimte waar een eigen, intieme plek kan ontstaan, de snoezelruimte. Een platenspeler met muziek van de Veluwe zorgt voor het herkenbare, terwijl de patiënt gezeten in een schommelstoel allerlei zintuigprikkelende oefeningen kan doen. Met lichte, witte gordijnen kan de ruimte verdeeld worden, zodat de patiënt zich af kan sluiten. Aanvankelijk was het de bedoeling dat deze ruimte ook voor het ontvangen van bezoek gebruikt zou worden. Al gauw bleek de snoezelkamer als therapieruimte zo succesvol, dat deze nog uitsluitend hiervoor wordt gebruikt. De grens tussen een kunstwerk en een functionele ruimte is hier uiterst vaag geworden. (zie pag.40 e.v.)
Al deze werken laten zien dat kunstenaars een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het welbevinden van de psychogeriatrische bewoners. Met hun werken proberen zij een diepgeworteld gevoel van ‘thuis’, van veiligheid en koestering op te roepen, waar iedereen en zeker een patiënt die in een verpleeghuis belandt behoefte aan heeft. Gevoelens van stress, angst, onrust en onzekerheid worden zoveel mogelijk teruggedrongen. Door deze ontwikkelingen in de zorg en daarmee samenhangend in de architectuur en de beeldende kunst, wordt getracht te voorkomen dat de groeiende groep bewoners van psychogeriatrische verpleeghuizen buiten wordt gesloten en dat ze erkend worden als individuen, die deel uit maken van onze maatschappij en als ieder ander recht hebben op een waardig einde.
1. Rapport Gezondheidsraad, aanbieding advies dementie aan de minister van het Ministerie van WVC, 12 maart 2002.
De integrale tekst alsmede een samenvatting staan vermeld op www.alzheimer-nederland.nl.
2. Zie « Onorthodoxe maatregelen tegen grijze tijdbom » van Alzheimer Nederland, www.alzheimer-nederland.nl.
3. Informatie: Rose-Marie Droës en Evelyne Finnema ‘Belevingsgerichte zorg bij dementie. Theorie en dagelijkse zorg’ in « Denkbeeld », tijdschrift voor psychogeriatrie, augustus 2001 en J. de Lange, R. Droes,
E. Finnema en C. vander Kooij, ‘Aansluiting bij de belevingswereld. Effectieve zorg bij dementerenden ’ in « Alzheimer magazine », nr.12 1999. Zie ook: het onderzoek ‘Effecten van geïntegreerde belevingsgerichte zorg versus gangbare zorg voor dementerende ouderen in het verpleeghuis; een klinisch experimenteel onderzoek naar effecten en kosten in opdracht van de Ziekenfondsraad,1999’
4.Bert Keizer, « Het refrein is Hein », Sun 1994
5.Maarten Evenblij ‘Vergeten in de vreugdehof’ in « de Volkskrant » van 23 maart 2002
6. Zie voor meer informatie over bouwen in de zorgsector R. Erven ‘Zorgomgevingen en welbevinden’ in «de Architect», nr. 7, maart 2002
7. Annet Tijhuis, ‘Zorgvuldige alledaagsheid. Verpleeghuis in Rotterdam door Tjeerd Dijkstra’ in « de Architect », mei 2002.
Wandschildering van Robert Greene voor verpleeghuis Gereia in Oldenzaal 1994. Foto Thijs Quispel
Stichting Kunst en Openbare Ruimte













