Een debat over de toekomst van het schoolplein in het publieke domein.
17 januari 2008, NAi Rotterdam
Verslag debat Het schoolplein: The Place to be…
De grens tussen publiek en privé
Is bloggen of het gebruik van webcams een private of publieke bezigheid? En is de Koopgoot in Rotterdam nog wel publieke ruimte, of is het meer een semi-private marktomgeving? Ton Notten, lector Opgroeien in de Stad aan de Hogeschool Rotterdam, schotelde tijdens een debatavond zijn toeschouwers een scherpe analyse voor rond functie, karakter en ontwikkeling van pleinen in de stad, en in het bijzonder schoolpleinen. Ook architect Marlies Rohmer deed aan de hand van haar werk een heldere uiteenzetting over dit onderwerp. “De grens tussen publiek en privé vervaagt.’’
Notten en Rohmer waren gastsprekers op het debat Het schoolplein: The Place to be… een initiatief van SKOR en Premsela. Beide organisaties hebben de samenwerking opgezocht in een onderzoeksproject naar de verbetering van de (ruimtelijke) kwaliteit en de toegankelijkheid van schoolpleinen. Veiligheid, beheer, verantwoordelijkheid, het zijn al jaren de grote spelbrekers in het openstellen of open houden van de pleinen. Want openbare schoolpleinen zijn niet alleen goed voor de dynamiek en socialisatie in een wijk, ze voldoen tegelijkertijd in de behoefte aan voldoende publieke speelvoorzieningen.
Het samenwerkingsproject moet leiden tot een aantal kunstopdrachten voor schoolpleinen. De aftrap in de vorm van dit debat had tot doel om samen met ontwerpers, scholen, onderzoekers en andere betrokkenen de problemen in kaart te brengen en na te denken over een betere aanpak. Die brede oriëntatie is nodig. Pleinen zijn knooppunten waar gebouwen met uiteenlopende functies aan grenzen. Daarnaast is niet alleen de hardware (de stenen) belangrijk, maar ook de software (het gebruik, de sociaal-maatschappelijke kant).
Stedelijke kwaliteit als educatiemiddel
Die hard- en software verenigde Ton Notten in zijn bijdrage waarin hij de problematiek benaderde vanuit ‘de kwaliteit van de stad als opvoeder’. Die stedelijke kwaliteit waarbinnen kinderen opgroeien is cruciaal. Was een traditioneel stadsplein vroeger een stabiele, beschermende plek van waaruit je de wereld leerde kennen, een warme stolp, tegenwoordig worden pleinen vooral gekenmerkt door hun hybriditeit. Ze vormen een overgangsgebied dat voortdurend in ontwikkeling is.
Om die reden is er ook niet één specifieke identiteit van het plein aan te wijzen. Het ontleent zijn identiteit aan zijn omgeving, aan de gebouwen met hun bijbehorende functies die het begrenzen, en de verschillende wijken die het verbindt. Zo wordt het karakter van het Amsterdamse Museumplein in grote mate bepaald door de cultuurhuizen eromheen.
Voor schoolpleinen geldt hetzelfde. Ze ontlenen hun identiteit aan hun omgeving, met in de eerste plaats het schoolgebouw zelf als karakterbepaler. Over de aanpak van de ontwikkeling van schoolpleinen benadrukt Notten de wisselwerking tussen de wijk, de directe omgeving en het plein zelf. Hij pleit voor een projectmatige aanpak om alle partners te betrekken bij het gesprek over de gewenste identiteit van het plein. Daarbij is de huidige mentaliteit rond scholen bepalend. Die is namelijk gericht op de Brede school, of (in Groningen) de ‘vensterschool’. Deze multifunctionele accommodatie (MFA) ontstond uit de behoefte om vanuit een breder perspectief de ontwikkeling van het kind te stimuleren. Elke MFA kent zijn eigen typologie, en Notten pleit voor het doorontwikkelen van dit concept. Daarnaast bleek het financieel aantrekkelijk om verschillende diensten te groeperen in één gebouw.
Geen plein maar een zone
De MFA haalt verschillende functies uit de wijk en centraliseert deze. De accommodatie neemt de omgeving dus in zich op, waardoor de grens tussen publiek en privé vervaagt. Tegelijkertijd heeft de MFA een belangrijke inbreng in zijn omgeving, denk aan buurtvoorzieningen die aansluiten bij de thema’s van de MFA, of zoals Notten het formuleert: “De Brede school heeft recht op een zorgzame wijk’’. Met andere woorden: de school haakt aan bij de ambitie van de wijk en andersom. De vraag rond de ontwikkeling van het schoolplein zou hij daarom willen herformuleren tot de ontwikkeling van een jeugd kansen zone, zoals dat in Delfshaven Rotterdam gebeurt voor het voortgezet onderwijs. Vanuit een samenwerking met woningcorporaties en het MKB (midden- en kleinbedrijf) voor het aanbod van stage en onderzoek wordt het mogelijk een zone in de wijk te ontwikkelen waarin kinderen meer kansen krijgen. Notten: “Maak het (school)plein tot die jeugd kansen zone in de wijk. En zorg voor geïntegreerde vormen van beheer, waarvoor een netwerk van verschillende instanties verantwoordelijk is.’’
Ook Marlies Rohmer, de volgende spreker, ziet de tendens van centralisatie en het vervagen van publiek en privaat. Grote winkelcomplexen halen de levendigheid uit een wijk, waardoor de woonruimte nog belangrijker wordt. Maar binnen en buiten vermengen zich ook. De buitenwereld speelt zich dan gedeeltelijk binnen af, zoals in de multifunctionele hal van de Amsterdamse Theo de Bock school, waar verschillende maatschappelijke functies in mobiele units zijn ondergebracht.
Brede school en Brede schoolplein
Rohmer bepleit een hogere kwaliteit van gebouw en plein. De schoolpleinen zouden in ruimtelijke zin een basisinrichting moeten krijgen, maar deze moet niet tot in detail worden ingevuld. De vrijgehouden plekken kunnen zich dan in het gebruik via een natuurlijke weg verder ontwikkelen. Net als Notten redeneert ook zij dat een goede inrichting van de openbare ruimte een educatief doel kan dienen. Schoolvoorbeeld in deze vormen de vele speeltuinen van Aldo van Eyck en Cornelis van Eesteren, waar kinderen van verschillende leeftijden op natuurlijke wijze naast elkaar speelden. Tegenwoordig gebeurt dit vaak gescheiden, denk bijvoorbeeld aan sportkooien voor balsporten. Het wegvallen van hybriditeit tussen verschillende leeftijden en culturen heeft volgens Rohmer ingrijpende sociale gevolgen. Zeker wanneer dit op het schoolplein van een basisschool gebeurt, want dat is de uitgelezen plek voor socialisatie en integratie.
“Schoolpleinen zijn sluitposten’’, zegt Rohmer. “Vaak bestaan ze uit niet meer dan betontegels, en dat terwijl Brede scholen een steeds groter wordende rol in de wijk spelen.’’ Er is onvoldoende budget om de pleinen goed in te richten, en een programma van eisen is er niet.
Een kunstopdracht kan uitkomst bieden en het plein een meerwaarde meegeven. In Wateringseveld bijvoorbeeld heeft ontwerper Wim Poppinga bij een Brede school van Bureau Marlies Rohmer het plein ingericht. Het donkere asfalt heeft hij speels laten golven en een fraaie bank die de lengte van het plein meet vormt de scheidslijn tussen plein en straat. Het publieke karakter van het schoolplein herhaalt zich in het basketbalveld op het dak van de school. In deze laagbouw Vinexwijk is dit het hoogste punt en dus is er een natuurlijke vorm van sociale controle.
Naar een nieuw schoolcomplex
In de discussie, die geleid wordt door Wijnand Galema (Architectuur Instituut Rotterdam), is dit fraaie schoolcomplex echter geregeld onderwerp van gesprek. Beheer- en veiligheidsvraagstukken zijn hier namelijk aan de orde van de dag omdat hangjongeren er de afgelopen tijd flinke schade hebben aangericht. Een oplossing waarbij het plein openbaar blijft is niet gevonden: er komt een nieuwe terreinafscheiding in de vorm van een hekwerk. Openbaar wordt privé. Hoewel het belang van de schoolspeelomgeving door iedereen wordt onderschreven, blijft het beheer en de exploitatie ervan problematisch.
Voor de pilotprojecten die SKOR en Premsela gaan opstarten is het van belang om te leren van dit project. Wat ging er mis? Hoe was de procesgang? Galema vraagt hoe het traject naar een nieuw schoolcomplex eruit moet zien, en wat de rol van de scholen hierin moet zijn. Ton Notten gaf al eerder aan dat projectmatig werken van belang is om alle belanghebbenden te betrekken en samen over de gewenste identiteit te praten. Rohmer vult aan dat zij als architecten in het voortraject via een neutrale partij vertegenwoordigd willen zijn. “De architect spreekt dan afzonderlijk met alle partijen.’’
De discussie spitst zich daarna toe op de vermeende kloof tussen architectuur en onderwijs. Wilma Kempinga realiseerde met succes alternatieve noodlokalen in het Rotterdamse Hoogvliet, maar het project kreeg jammer genoeg geen vervolg. Volgens haar is die kloof er wel degelijk, ook op hoog niveau (ministerie). Sico Arbeek, hoofdredacteur van het tijdschrift Schooldomein, ziet die afstand niet. “Er wordt wel degelijk door de betrokken partijen meer samengewerkt, en de omgeving bepaalt nu meer dan vroeger de architectuur’’. Er wordt vanuit de zaal gewezen op een mogelijk leegzuigeffect van voorzieningen uit de wijk bij de ontwikkeling van Brede scholen, maar het gaat om een evenwichtige rol in de zorgzame wijk.
De scholenbouwprijs wordt genoemd als geslaagd overheidsinitiatief. Deze heeft inderdaad een stimulerende werking gehad voor de gebouwen, maar niet voor de pleinen. Ole Bouman opperde ooit de mogelijkheid van het bekronen van jaarprogramma’s. Dat zou ook toe te passen zijn op schoolpleinen, of er zou een aparte prijs voor schoolpleinen ingesteld moeten worden. Maar er wordt ook vakoverstijgend naar oplossingen gezocht. Zo ziet landschapsarchitect Marcel Eekhout het belang van een intensieve samenwerking tussen de school en het omgevingsontwerp. Een schoolplein kan daarin worden opgenomen.
Schoolpleinen ontbreken in bestaand beleid
Hoe groot is de behoefte aan openbare speelplekken eigenlijk? De vraag die in de zaal wordt opgeworpen wordt beantwoord door Niek Bosch, die in Amsterdam onderzoek deed naar openbare en private schoolpleinen. Van het totaal van 40 hectare aan schoolpleinen bij 400 scholen is de helft niet openbaar. Reden hiervoor is angst voor vandalisme en een gebrek aan toezicht. Een schooldirecteur in de zaal beaamt deze problemen, en verwijst naar zijn nieuwe school met schoolplein op het dak. Maar deze ‘luchtplek’ wordt door niemand als redelijk alternatief gezien. Verzet uit de buurt tegen een schoolplein maakte een buitenruimte op het maaiveld onmogelijk. Het is natuurlijk ook een kwestie van draagvlak vanuit gemeenten en projectontwikkelaars. Als zij niet doorzetten, en durf missen om steun te vinden voor hun plannen, wie kan dat dan wel?
Froukje Hajer (Jantje Beton) mist het gemeentelijk speelruimtebeleid in de discussie. Het schoolplein maakt daar immers deel van uit. Hoe zit het met het vrije tijdsbeleid van overheden? Wordt het niet hoog tijd dat er vierkante meters worden gereserveerd en dat schoolpleinen onderdeel worden van het speelruimtebeleid? Het is belangrijk dat er tijd (ook na school) kan worden doorgebracht op speelplekken. De zaal sluit zich hier volledig bij aan. Alijd van Doorn voegt toe dat de noodzaak van verschillende speeltypologieën niet mag worden vergeten. Uit haar onderzoek in twee Rotterdamse wijken blijkt dat kinderen in de ene wijk op een centrale plek speelden (het schoolplein) en in de andere wijk decentraal en verspreid over de gehele wijk. Het gevolg is dat het aanbod niet alleen divers moet zijn, maar dat er ook op stedebouwkundig niveau naar speelplekken moet worden gekeken.
Als Wijnand Galema de belangrijkste termen van de avond samenvattend nog eens opnoemt, doemt de gedachte aan Van Eyck en Van Eesteren weer op. Diversiteit, systematiek, polycentrisch, ingebed in de stedelijke omgeving, participatief, met toezicht. “Hoe actueel!’’
Véronique Hoedemakers
In het kort:
Adviezen:
- Een brede oriëntatie (het plein en haar omgeving) en een projectmatige aanpak
- Evenwicht tussen de voorzieningen in de buurt en de MFA (die een aantal voorzieningen centraliseert)
- Zorg voor geïntegreerde vormen van beheer waar meerdere instanties verantwoordelijk voor zijn.
- Creëer mogelijkheden om verschillende leeftijdsgroepen naast elkaar te laten spelen en niet afgezonderd van elkaar
- Diversiteit in het speelaanbod.
- Om de kwaliteit van de schoolpleinen te verbeteren kan gedacht worden aan: de meerwaarde van een kunstopdracht, invoeren van een programma van eisen voor het plein, beleid ontwikkelen voor schoolpleinen, de pleinen onderbrengen bij het gemeentelijk speelruimtebeleid, het plein integreren in het omgevingsontwerp
Praktijkvoorbeelden:
Het Sociaal Platform Rotterdam (SPR), onderzoekt of vier pleinen in vier verschillende wijken kunnen worden verbeterd. Het gaat om de Afrikaanderwijk, Oude Noorden, Pendrecht en Schiebroek-Zuid. Ze gaan daarbij uit van vier sociale vraagstukken:
- Bruisende en verleidelijke pleinen hebben een magneetwerking, activiteiten spelen hierbij een rol
- Aandacht voor allochtone vrouwen van de eerste generatie. Deze doelgroep komt weinig buiten.
- Witte senioren die er altijd al woonden moet het weer hùn buurt gaan vinden.
- Aandacht voor jeugd van 10-15 jaar. Deze groep verveelt zich snel en voorzieningen zijn meestal gericht op jongere of oudere leeftijdsgroepen.
Fraaie voorbeelden van ‘stedelijkheid als rendement’:
• St. Janschool, Kortenaerplein in De Baarsjes (Amsterdam). Een deel van dit plein is amfitheater-gewijs, het is theatraal, publiek en privé.
• Brede school Wereld op Zuid (Rotterdam). Tot stand gekomen door vooraf veel te praten met de betrokkenen, niet alleen over de stenen maar ook over de mentaliteit.
• De Daltonschool Margriet, met twee vestigingen in het centrum van Rotterdam
• De Fridtjof Nansen Jenaschool in Ommoord, die van een grote tuin is voorzien.
Traject pilotproject SKOR&Premsela:
Het schoolpleinen project richt zich op bestaande schoolpleinen in de stedelijke omgeving die (in de toekomst) openbaar toegankelijk zijn. Door het opstellen van programma’s van eisen met specialisten en betrokkenen en de realisatie van drie pilotprojecten bij drie verschillende scholen willen we een bijdrage leveren aan het wegnemen van bezwaren en praktische problemen die gemoeid zijn met het openstellen van schoolpleinen. Het doel is om oplossingen te ontwikkelen in de praktijk, op basis van een ontwerpopgave die aansluit op de gegeven context. Het gaat om het ontwikkelen van nieuwe modellen, naast bestaande formats als de voetbalveldjes van de Cruyff Foundation en Zoneparc van Nike. Om daadwerkelijke nieuwe ideeën te kunnen beproeven, voorbij het “dat kan niet’’ en “dat mag niet’’, willen we – waar nodig - ook tijdelijke ontwerpoplossingen mogelijk maken.
• Onderzoek en ontwerpfase voor drie pilots - afsluiting augustus 2008
• Realisatie pilots - afhankelijk van deelnemende partijen
Websites:
www.opgroeienindestad.nl
www.gemengdescholen.nl/documenten/Verslag%20lancering%20100%20dagen.pdf
www.rohmer.nl
www.premsela.org
Stichting Kunst en Openbare Ruimte