Verslag ochtendprogramma LOKO 09
Solide grond. Draagvlak voor kunst in de openbare ruimte
Dinsdag 13 oktober 2009
Verslagen van de middagsessies:
Tussen consensus en conflict
Kunst in de openbare ruimte staat soms letterlijk bij mensen op de stoep. Deze confrontatie kan positief uitwerken; het werk wordt een oriëntatiepunt in de buurt, bewoners raken er aan gehecht, zijn trots op hún kunstwerk. Maar kunst in de directe leefomgeving kan ook heftige reacties oproepen: het is onbegrijpelijk, lelijk, te duur. Tijdens de jaarlijkse kennisdag van LOKO (Landelijk Overleg Kunst in Opdracht) stond het creëren van draagvlak voor kunst in de openbare ruimte centraal. In de verschillende bijdragen kwamen vragen aan de orde als: In hoeverre moet het publiek betrokken worden bij de besluitvorming? Is de kunstenaar als enige verantwoordelijk voor de acceptatie van zijn/haar werk of ligt hier een belangrijke taak voor opdrachtgever en bemiddelaar? Is het eigenlijk wel goed om te streven naar consensus, leidt dit niet onherroepelijk tot middelmatigheid? Kan kunst niet juist waardevol zijn in het bieden van ruimte voor verschil, voor het onverwachte, het onbekende – ook als dit af en toe tot weerstand leidt?
Verslag LOKO09: Solide grond. Draagvlak voor kunst in de openbare ruimte
In de Schouwburg van Almere heette Adri Duivesteijn, plaatselijk wethouder van ruimtelijke ordening (inclusief kunst in de openbare ruimte), volkshuisvesting, woon- en grondbeleid, de aanwezige kunstenaars, bemiddelaars, opdrachtgevers en studenten welkom met een lesje stedenbouw als culturele drager. Voor de toekomstige uitbreidingen van Almere zoekt Duivesteijn naar modellen waarin mensen de stad maken. De grachtengordel van Amsterdam is voor hem een voorbeeld. Binnen een heldere structuur bouwden individuele burgers er hun huizen, wat leidde tot een gevarieerd en tegelijkertijd samenhangend geheel. Een ander inspirerend model is een ecologische wijk, het initiatief van een groep mensen met een gezamenlijk doel: duurzaam wonen. Organische stedenbouw, noemt Duivesteijn zijn ideaal; de overheid biedt een kader dat ingevuld wordt door de mensen zelf, zowel individueel als in door gedeelde interesses gevormde groepen. Zo wil hij verder bouwen aan Almere.
Allemaal leuk een aardig, die nadruk op voor en door de mensen, maar het resultaat stelt nogal eens teleur, waarschuwde Markus Miessen. Deze jonge architect, ruimtelijk adviseur en onderzoeker heeft in korte tijd een indrukwekkend cv opgebouwd, waarop onder meer publicaties staan met prikkelende titels als Did Someone Say Participate? (2006) en The Violence of Participation (2007). Hij is kritisch over de wijze waarop met name de overheid zijn cultureel maatschappelijke verantwoordelijkheid afkoopt met strak georganiseerde vormen van participatie. Deze modellen zijn gebaseerd op een cultuur van consensus, weerstand wordt ingekapseld en onschadelijk gemaakt. Individuele stemmen en oorspronkelijke gedachtes verwateren in middelmatigheid, met een smakeloos compromis als resultaat. Engeland, waar hij onder meer aan de Architectural Association studeerde, kende ten tijde van New Labour een enorme groei van participatiemodellen. Terwijl uit onderzoek blijkt dat onder de bevolking de wil om deel te nemen en zich uit te spreken zich op een historisch laag niveau bevindt. Mensen hebben niet het gevoel dat hun inbreng zin heeft.
Wat is het alternatief? Miessen haalde politicoloog Chantal Mouffe aan, zij pleit er voor ruimte te creëren voor conflict. Universele waarden worden door mensen nu eenmaal verschillend geïnterpreteerd en geleefd, die bron van conflict moet je niet glad willen strijken. Let's agree to disagree.
Zo'n platform voor verschil streeft ook de Oostenrijkse kunstenaarsgroep Wochenklausur na. In Nürnberg (Duitsland) organiseerde de groep in 2000 een serie discussies tussen telkens twee partijen met conflicterende standpunten. Er vonden gesprekken plaats tussen bijvoorbeeld een ultrarechtse groepering en punkers, en tussen een Turkse eigenaar van een reisbureau en een Christelijke vakbond met radicale standpunten ten aanzien van immigratiepolitiek. De opponenten spraken met elkaar in speciaal ontworpen paviljoens en werden daarbij begeleid door een professionele mediator. Het lukte Wochenklausur om zo vierenzestig partijen met elkaar om de tafel te krijgen en dat leidde meestal - slechts twee keer moest een bijeenkomst worden afgebroken - tot positieve reacties.
Wochenklausur richt zich vanaf de oprichting in 1992 bewust op het politieke en sociale karakter van het publieke domein en niet zozeer op haar fysieke verschijning, vertellen initiatiefnemers Martina Reuter en Wolfgang Zinggl. 'Voor ons is kunst een instrument om sociale en politieke misstanden aan de orde te stellen', stelt Reuter provocerend, zich bewust van de argwaan die een dergelijk standpunt in de kunstwereld oproept. Dat kunst instrumenteel wordt ingezet is volgens haar geen probleem, zolang dit maar een bewuste keuze van de kunstenaar is. Een van hun eerste projecten voeren zij uit in opdracht van de Wiener Secession. Om de bestaanscondities van de daklozen die zich rond het gebouw van de Secession ophielden te verbeteren zetten zij een mobiele kliniek op, waar daklozen medische verzorging konden krijgen. De kliniek, die zij na afloop van hun kunstproject werd overdragen aan lokale partijen, bestaat meer dan tien jaar later nog steeds. Kunst kan meer veranderen dan vaak wordt aangenomen, concluderen Reuter en Zinggl dan ook. Zij keren het thema van de dag 'draagvlak voor kunst in de openbare ruimte' liever om in 'ondersteuning van het publieke door de kunstenaar'.
Als kritiek op de architectonische hoogstandjes die veel kunstinstellingen zich aanmeten - en die zoveel geld kosten dat er weinig overblijft voor de invulling van een programma – ontwikkelde Miessen, samen met Nikolaus Hirsch en Phil Misselwitz, in Keulen een nieuw ruimtelijk model voor een kunstinstelling. Verspreid door de stad spotten zij locaties, waar delen van deze European Kunsthalle tijdelijk een plek kregen. Bezoekers werden met een plattegrond op pad gestuurd. Op welke manier dit model zich onderscheidt van bijvoorbeeld biënnales, die ook graag de stad intrekken, werd niet helemaal duidelijk uit Miessens presentatie. Iemand uit het publiek vroeg nog of het was gelukt om uit handen van de citymarketing te blijven. Dat bleek geen probleem. Doordat het project door verschillende partijen werd gefinancierd, behield het zijn autonomie, hoewel samenwerking niet werd geschuwd.
In zijn praktijk als architect probeert Miessen de bestaande consensus open te breken door grenzen te overschrijden, door voorbij de alledaagse context te kijken en vragen te stellen buiten zijn eigen vakgebied. In Dubai leidde hij een workshop waaraan zowel locale als internationale studenten en docenten deelnamen. Zij richtten zich vanuit diverse disciplines op het vraagstuk van de arbeiderskampen, die het armoedige negatief vormen van de exuberante bouwexplosie die zich de laatste decennia in Dubai heeft afgespeeld. Miessen waarschuwt voor al te makkelijk oordelen vanuit het westen, ook vlak naast de deur leven gastarbeiders onder erbarmelijke omstandigheden, en toont een foto van een met bedden volgepropte kamer in het centrum van Keulen. 'Rather than delivering a mere critique, we initiated a critical practice of involvement.'
Uiteindelijk is de kunstenaar altijd weer de sigaar, merkt John Körmeling met een grijns op in een documentaire over zijn kunstwerk Draaiend Huis. Dit model van een vrijstaand rijtjeshuis staat op rails en rijdt langzaam rondjes op de Hasseltrotonde in Tilburg. Zo traag dat je het nauwelijks ziet bewegen, maar 's middags op de terugweg staat het huis 'opeens' aan de andere kant van de rotonde. Het kunstwerk was en is voer voor veel locale discussie, acties en activiteiten. Negatieve en positieve reacties buitelen over elkaar heen. Het huis is sinds zijn oplevering al twee keer gekraakt, een makelaar zette het in de verkoop, er werd een poging tot brandstichting gedaan, er werd een carnavalslied over geschreven, het figureerde op een carnavalswagen, een nabijgelegen hotel wilde het als bruidsuite gebruiken en voor Lijst Smolders - opgezet door de chauffeur van Fortuyn – is het een van de geldverspillende onzinprojecten waarvoor de partij burgemeester en wethouders ter verantwoording roept.
Gerdi Beks (beleidsmedewerker KORT, Kunstplan Openbare Ruimte Tilburg) en Atty Bax (adviseur BKKC) vertellen over het lange traject van idee tot realisatie dat dit kunstwerk heeft doorlopen. Allereerst om tot een opdrachtformulering en keuze voor een kunstenaar te komen en vervolgens om het ontwerp van Körmeling te realiseren. De kunstenaar speelde een belangrijke rol in het overtuigen van alle betrokken partijen en het publiek. Telkens kwam hij opdraven om zijn enthousiaste verhaal te vertellen en daarmee bestaande twijfels en angsten zoveel mogelijk weg te nemen. Zonder deze onvermoeibare betrokkenheid van Körmeling was het werk er nooit gekomen, menen Beks en Bax. Hun conclusie is dan ook dat de kunstenaar zelf de meest geschikte persoon is om draagvlak te creëren voor zijn of haar werk.
In een wervelende column zette Gabriel Lester vraagtekens bij de zware verantwoordelijkheden die bij opdrachten in de openbare ruimte op de rug van de kunstenaar worden gestapeld. Lester roept het beeld op van de one-man-band. De muzikant die zelf alle instrumenten bespeelt. Hij verzorgt het structurerende ritme, de samenbinden harmonieën, de meeslepende melodie en levert met dat alles een fascinerend schouwspel. Zo moet ook de kunstenaar werkend in de openbare ruimte van vele markten thuis zijn. Niet alleen zijn creatieve talent, maar ook zijn organisatorische, technische en communicatieve vaardigheden worden danig op de proef gesteld. Bij dit alles signaleert Lester een probleem dat buiten de invloed van de kunstenaar ligt, namelijk de kwaliteit van de aanbesteding, want daar wil het in Nederland nog wel eens aan schorten. Pas als ook opdrachtgevers en bemiddelaars op hun verantwoordelijkheden kunnen worden aangesproken, krijgt kunst alle kans om op straat te bloeien.
Zo passeerden tijdens LOKO 9 heel wat aspecten van het naar voren geschoven thema de revue. Van het samen vormgeven van de stad tot de vraag of de kunstenaar als enige eindverantwoordelijk is voor zowel de kwaliteit, de realisatie als de acceptatie van een kunstwerk. Daarbij werd duidelijk dat draagvlak niet hetzelfde is als omarmen. Consensus leidt tot middelmatigheid, uitblinken en verwonderen kan men bij de gratie van verschil.
Lotte Haagsma
Stichting Kunst en Openbare Ruimte