auteur: Tienhoven
locatie: Centrum voor Verpleeghuiszorg De Poort,
Verpleeghuis De Poort bevindt zich op loopafstand van het gebouw waar ik woon en werk. Als ik mijn voordeur aan de Da Costakade verlaat, rijst de hoge gevel van het gebouw in de verte op. Soms vraag ik me licht verontrust af of dát de plek is waar ik de laatste fase van mijn levensavond zal moeten doorbrengen.
Ronald van Tienhoven
Mirjam de Zeeuw
Verpleeghuis De Poort bevindt zich op loopafstand van het gebouw waar ik woon en werk. Als ik mijn voordeur aan de Da Costakade verlaat, rijst de hoge gevel van het gebouw in de verte op. Soms vraag ik me licht verontrust af of dát de plek is waar ik de laatste fase van mijn levensavond zal moeten doorbrengen.
Op een dag ontmoet ik voor een viswinkel een kleine, hoogbejaarde vrouw. Zij klampt mij aan en vraagt of ik haar naar huis wil begeleiden.
‘Waar woont U dan?’ ‘Vespuccistraat 24, 3 hoog’, antwoordt zij, ‘met mijn man en vier kinderen.
De jongste is gisteren drie jaar geworden.’
Zij glimlacht, in zichzelf verzonken.
Ze kijkt me weer aan en beschrijft haar straat, haar huis, de gang en de kamers, het geboende granieten aanrecht in de keuken, de sprei in de slaapkamer dat ze voor haar huwelijk zelf heeft geborduurd, en de zware eikenhouten schemerlamp in de woonkamer waaronder haar man iedere avond het Handelsblad leest. Ik zie aan haar ogen dat oude beelden tot leven komen en in het Hier en Nu schuiven; zij maakt mij deelgenoot van een realiteit die uit herinneringen is opgebouwd.
Langzaam schuifelen we over de brug van de Da Costakade, en ik vraag of zij het verpleeghuis in de verte kent. ‘Jazeker, daar wonen veel vriendinnen van mij. Soms zoek ik ze even op voor een praatje, en je kunt er lekker eten.’ Haar gezicht betrekt, en het lijkt alsof ze bevangen is door twijfels. ‘Zullen we uw vriendinnen even opzoeken, voordat ik u naar huis breng?’ Zij knikt en geeft mij een arm; voor haar is het een lange wandeling. We lopen langs de winkels van de Bilderdijkstraat, waarvan alleen de oude snoepwinkel van Hans Bodt een goede kans maakt om in haar Hier en Nu te worden opgenomen.
We betreden de hoge hal van het verpleeghuis en worden ontvangen door een receptioniste die een van de verplegers oproept. Een grote Surinaamse man in wit uniform verovert haar met een flirt en een kwinkslag, en glimlachend lopen ze hand in hand naar de lift.
Ze draait zich om en zwaait nog even naar me, voordat de liftdeur zich sluit.
De herinnering is een huis met objecten en personen. De oude vrouw bezat zo’n huis, en even heb ik kunnen ervaren hoe groot het vermogen van de mens is om tot in het kleinste detail een dergelijk huis te construeren.
Soms betreedt de beeldende kunst het terrein van Voodoo-magie, de kunst van het oproepen van geesten. Mirjam de Zeeuw is een meesteres in het oproepen van geestverschijningen die met grote aandacht en precisie zijn vastgelegd. Haar geestverschijningen zijn echter geen personages, maar interieurs en objecten die vol betekenis en geschiedenis zijn: het oude patina van een muur waarvan het gebloemde behang is verbleekt, de erosie van het kersenhout van een stoelleuning waarop mensen generaties lang hun handen hebben laten rusten, of de warme eenzaamheid van een boeket droogbloemen.
Mirjam de Zeeuws beelden tonen zowel sensitiviteit als scherpte, zowel passie als weemoed, maar sentimentaliteit, die al te gemakkelijke gevoelssnaar, blijft altijd achterwege. In weerwil van de rijkdom van stofuitdrukking en textuur, en van het patina van de tijd dat als een sluier over veel objecten valt die door haar zijn vastgelegd, zijn
De Zeeuws foto’s sprankelend als een Hollandse lucht na een regenbui. Wellicht is het die karakteristiek van haar werk die sentimentaliteit buiten de deur houdt. Ik beschouw dat als een grote kwaliteit, die door de jaren heen niet aan kracht heeft ingeboet.
Mijn ontmoeting met de bewoonster van verpleeghuis De Poort is destijds de aanzet geweest om Mirjam de Zeeuw te vragen om een kunstwerk voor deze instelling te maken. Zij is in mijn ogen één van de weinige kunstenaars die in staat zijn om ‘de herinnering als huis’ te materialiseren.
Vierentwintig foto’s van interieurs en stillevens, die op verschillende plekken in verpleeghuis De Poort zijn opgehangen, vormen hiervan het levende bewijs.
Ik gebruik met opzet het woord ‘levend’, omdat de bewoners iets hebben toegevoegd aan haar kunstproject: rond haar fotowerken zijn objecten geplaatst, zijn ansichtkaarten met spelden aan de muur geprikt, en zijn ouderwetse dressoirs toegevoegd aan het ensemble van foto’s. Er is een fascinerend trompe-l’oeil effect ontstaan door de interactie tussen de tweedimensionale ruimte van de fotowerken en de driedimensionale situatie eromheen: het dressoir gaat over in een gefotografeerd interieur met meubels uit dezelfde stijlperiode, en soms staat een servicekarretje van het verpleeghuis vlak voor een fotowerk geparkeerd waarop een ouderwets theewagentje is afgebeeld. Ook duiken er tautologische situaties op: in de kapsalon van het verpleeghuis hangt een fotowerk van een kapsalon die zich tot een aantal jaren geleden in de Rozenstraat bevond. Het zijn alle ontmoetingen tussen het Hier en Nu van de herinnering en het Hier en Nu dat we, misschien ten onrechte, als onze dagelijkse realiteit beschouwen. Juist de versmelting tussen deze verschillende realiteiten maken van het tehuis een thuis: rijk aan herinneringen, rijk aan geschiedenis, en daarom rijk aan betekenis.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte















