auteur: Holleman
Drie weken na mijn eerste oriënterende gesprek met de kunstcommissie in het oude gemeentehuis in Driesum wordt net buiten Zwaagwesteinde Marianne Vaatstra vermoord in een weiland gevonden. Nog onbekend met de verschillende dorpsnamen van de gemeente duurt het twee weken voordat ik in alle media-aandacht de gemeentenaam Dantumadeel hoor vallen en een link leg met de aanstaande opdrachtgever. Reporters doen verslag van de hechte gemeenschap waaruit Marianne is weggerukt en televisiebeelden tonen hoe er massaal met zwarte wimpels gevlagd wordt. Straat na straat betuigt halfstok zijn steun aan de nabestaanden en vrienden van Marianne treffen voorbereidingen voor een stille tocht.
Arnoud Holleman
Uitgangspunten bij het werk
Drie maanden later, tijdens de presentatie van het schetsontwerp, begin ik mijn toelichting op het kunstvoorstel met de herinnering aan die stille tocht. Hoe ik naar Friesland reed in de overtuiging bij het overschrijden van de gemeentegrens de door de media beloofde treurvlaggen aan elke gevel aan te zullen treffen. Hoe vervolgens in Veenwoudsterwal niks wees op uitingen van gemeenschappelijke rouw. Hoe in Veenwouden, Rinsumageest en Damwoude slechts incidenteel gevlagd werd. Pas in Zwaagwesteinde herkende ik de beelden van de televisie. Niet dat de moord of de stille tocht de andere dorpen koud zou laten, maar er was een duidelijk verschil tussen Zwaagwesteinde en de andere dorpen van Dantumadeel en dat was dat de Zwaagwesteinders als groep getroffen waren en dat ook als groep lieten zien. Blijkbaar was niet Dantumadeel, maar Zwaagwesteinde de noemer van de groep. In de maanden na de stille tocht bleek het in steeds andere uitingen van gemeenschapsgevoel steeds weer het geval dat Dantumadeel als noemer ontbrak. Er is het gezin, buiten het gezin is een sterk ontwikkeld verenigingsleven, daarna kom je uit Broeksterwoude, Sijbrandahuis of De Valom, daarna kom je uit de wouden in plaats van uit de klei, dan ben je Fries ten opzichte van de Nederlanders en daarna Nederlander ten opzichte van de buitenlanders. Maar niemand die er prat op ging Dantumadeler te zijn. Elk dorp zijn eigen postduiven- en muziekvereniging en voor een nieuw paspoort, de bouwvergunning of uitkering waren de loketten in het gemeentehuis van 9 tot 12 geopend. Een gemeentelijke identiteit werd niet gemist. Pas bij reëel gevaar, als Dantumadeel met bijvoorbeeld Tietjerkstradeel zou moeten fuseren, zou een gemeentelijke identiteit aantrekkelijk worden om aan te meten. Zoals in de jaren zeventig bijvoorbeeld, toen Akkerwoude, Murmerwoude en Dantumawoude werden samengevoegd tot Damwoude en twee van de drie tot buurt gedegradeerde dorpen postuum een wapenschild ontwierpen om de opgeheven groepsidentiteit in de herinnering levend te houden. Ook de gemeente als opdrachtgever zelf bleek er weinig aan te doen om naast een op praktische zaken gericht ambtenarenapparaat een eigen culturele identiteit te ontwikkelen. Op Rinsmastate, het oude gemeentehuis, stonden allerlei spullen die wezen op een cultureel verleden, maar wat vooral opviel was de onbedachtzaamheid waarmee met die culturele spullen werd omgegaan. De burgemeester had met de mooie stukken uit de collectie van de Van Sytzamastichting zijn kamer ingericht maar de rest van het cultuurgoed voerde een verloren strijd tegen het dagelijks leven. Stenen beelden stonden zonder sokkel op de gang en werden gebruikt om de deuren open te houden en 18e-eeuwse miniatuurtjes hingen op verloren spijkers naast een groepsfoto van de brandweer. In het gebouw van de brandweer, waar de presentatie van het schetsontwerp plaatsvond, deed een met de hand ingekleurde oude landkaart van Noord Friesland dienst als publicatiebord. Precies over de gemeentegrenzen van Dantumadeel was een affiche van VVN geplakt met de boodschap om niet met een slok op achter het stuur te gaan zitten.
Cultuuromslag
Als documentairemaker had ik de landkaart kunnen gebruiken als metafoor voor hoe de gemeente zichzelf letterlijk onzichtbaar maakt, maar als kunstenaar had ik het minder makkelijk. De gemeente vroeg vol goede intenties om een culturele verbeelding van de Dantumadeelse identiteit, maar de omgang met het bestaande cultuurgoed beloofde niet veel goeds voor de voorwaarden waaronder het nieuwe kunstwerk die boodschap over zou moeten brengen. Het kwam er op neer dat er bij de opdrachtgever in het oude gemeentehuis wel allerlei spullen waren die getuigden van een eigen culturele identiteit, maar er ontbrak een traditie om die spullen en daarmee de vermeende identiteit ook te tonen. En bij de bevolking leefde die identiteit niet. Dat betekende dat de opdracht niet alleen identiteit zou moeten verbeelden, maar ook een cultuuromslag in gang zou moeten zetten. De identiteit moest benoemd en de noemer getoond. En omdat er voor Dantumadeel geen religie, beroep, politieke kleur of bedreiging van buitenaf als overkoepelende noemer te vinden is, leidde het zoeken naar een definitie van wat de gemeentelijke identiteit dan wel is eigenlijk vanzelf naar het neutrale begrip verzameling. Dantumadeel is een verzameling dorpen en gehuchten met elk een sterk eigen karakter. Binnen deze verzameling dorpen is een groot aantal deelverzamelingen waar te nemen, zoals grondsoorten, kerken, kunstwerken en ook het aanwezige cultuurgoed in het gemeentehuis. Door de gemeentelijke identiteit op te vatten als een verzameling, die is opgebouwd uit een aantal verzamelingen van verschillend cultureel kaliber, krijgen de vele verschillende kenmerken van Dantumadeel een verband zonder dat de diversiteit ervan geweld wordt aangedaan of dat er een valse hiërarchie wordt aangebracht. Door een presentatievorm voor te stellen, die gebaseerd is op het recyclen van het aanwezige cultuurgoed in verschillende verzamelingen, kon tevens een aantal praktische problemen in de opdrachtsituatie tegen elkaar worden weggestreept. De gemeente kon een begin maken met het tonen van haar identiteit. Die identiteit werd niet opgelegd, maar opgebouwd uit wat al voorhanden was en er was geen sprake van visuele concurrentie tussen het bestaande culturele erfgoed en een nieuwe toevoeging door mij als kunstenaar. Daarbij gaf het voorstel een goed instrument in handen om de nieuwe architectuur te gaan bespelen. De verzamelingen zouden op strategische plekken in de nieuwbouw komen te hangen en het oude cultuurgoed zou in de nieuwe omgeving als vanzelf meer naar een culturele identiteit en cultureel verleden verwijzen als in het organisch gegroeide en van historie doordesemde Rinsmastate.
Maaltijd
Het schetsontwerp werd tijdens een maaltijd gepresenteerd. Er werd gekookt door de Global Cooking Company, gespecialiseerd in conceptueel eten op locatie en gerund door mijn broer Wessel Holleman. Aan tafel zaten burgemeester en wethouders, de kunstcommissie, de inrichtingscommissie, Fred Wagemans en Govert Grosveld van de SKOR, ikzelf en de bode. We aten aardappelen, vlees, groenten, maar elk deel van de maaltijd lag als verzameling op het bord. De verzameling aardappelen bestond uit roseval, oppedoezer, truffe de Chine en bintje (waarvan de naamgeefster, Bintje Pebesma-Jansma (1888-1976) niet veel verderop tot de wederopstanding op de begraafplaats van Damwoude ligt). Als groente verschillende peulsoorten: sperziebonen, peultjes, snijbonen, tuinbonen en kousenband. De verzameling vlees bestond uit varkenshaas, ossenhaas, lamshaas, reehaas en de sla was gemaakt van pomodori, cherrytomaten, vleestomaten, tasty tom en gele tomaten. In de garnalencocktail vooraf zaten Hollandse krielgarnalen, Noorse garnalen, tijgergarnalen en gamba’s. Als placemat het schetsontwerp. What you eat is what you get. Bekend en onbekend, gewoon en exquis, lekker en vies lagen democratisch geordend in deelverzamelingen op het bord. De blik kon dwalen over de verschillende verschijningsvormen of inzoomen op de paarskleurige structuur van de truffe de chine. Via het eten en de daaruit voortvloeiende conversatie over voor- en afkeuren gebeurde er die avond in het klein iets waarvan ik hoopte dat het ook een meerwaarde van verzameling verzamelingen zou worden. Dat een nieuwe ordening van oude gegevens niet laat zien wat of wie je bent, maar aanzet tot nadenken over wat je als gemeente zou kunnen zijn, of liever nog, zou kunnen worden.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte
