Wouter Davidts, Column: Het museum ontmanteld en te kijk gezet

OPEN 8 (On)zichtbaarheid
Voorbij het beeld in kunst, cultuur en het publieke domein
De mate van zichtbaarheid van sociale, politieke, economische en culturele gebeurtenissen via publieke beelden, wordt als indicatief beschouwd voor het democratische gehalte van een samenleving. Zichtbaarheid wordt geassocieerd met openheid en communicatie, met sociale orde en politieke balans. Het onzichtbare is het ongecontroleerde, onbestaanbare of onderdrukte, maar ook dat wat erop wacht onthuld te worden. Binnen dit regime produceren de visuele media onophoudelijk beelden, maar is ook het ‘publiek’ zelf constant bezig zijn ervaringen te visualiseren. In dit bedwelmende proces verdwijnt elke boodschap of maatschappelijke agenda uit beeld. Wat voor positie heeft de kunst hierin? Wat kan de inzet zijn van de kunstenaar, ontwerper of architect, diens engagement en legitimatie? En welke specifieke ontwikkelingen in de actuele beeldcultuur spelen hierbij een rol? Voor dit nummer werkte de vaste redactie samen met gastredacteuren Willem van Weelden en Jan van Grunsven.
In november 2004 deed de kunstenaar Santiago Sierra een veelbesproken interventie in het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle, België. Volkomen in de lijn van zijn reputatie als controversieel kunstenaar, stelde hij een even simpel als radicaal gebaar. Hij haalde alle kunstwerken uit het museum en verwijderde vervolgens alle glas uit de buitenramen en deuren. Het gebouw werd volkomen ontmanteld, uitgekleed en gereduceerd tot een schriele structuur, waar wind, regen, en vandalen vrij spel kregen. Er viel niets te zien, behalve een langzaam verkommerend geraamte. Sierra heeft reeds meerdere van dergelijke drastische ingrepen in architectuur op zijn kerfstok. Voor zijn deelname aan de Biënnale van Venetië in 2003 liet hij een bakstenen wand optrekken in de hoofdingang van het Spaanse paviljoen. Tot verontwaardiging van vele toeschouwers verlegde Sierra de ingang naar de achterzijde, waar een Spaanse politieagent enkel de personen met een geldig Spaans paspoort binnenliet. Het handjevol dat aan die voorwaarden voldeed, kreeg eenmaal binnen een louter lege, en (opnieuw) vervallen ruimte te zien. In Kunsthaus Bregenz laadde Sierra de bovenste verdieping met 300 ton bakstenen. Het werk 300 Tonnen, 300 tons testte de draagcapaciteit van het KUB tot het uiterste. Het gewicht van de bovenste verdieping moest via steunpilaren op de onderliggende verdiepingen verdeeld worden. In elk van de drie genoemde gevallen wordt architectuur, en in het bijzonder het gehuisveste instituut, getest op zijn capaciteit om artistieke intrusie te ondergaan en te weerstaan. Of het gebouw nu wordt ontmanteld, afgegrendeld of onder druk gezet, het eindresultaat is steeds dat het instituut niet langer in staat is op een normale manier, of in extremis niet meer, te functioneren.
Sierra’s interventies passen binnen een betrekkelijk korte traditie van symbolische en alsmaar gewelddadiger aanvallen op architectuur, en tegen institutionele architectuur in het bijzonder, van Yves Le Klein’s Le Vide (1958), Armand’s Le Plein (1960), Daniel Buren’s verzegeling van de ingang van de Galerie Apollinaire (1968), Robert Barry’s During the exhibition the gallery will be closed (1969), Michael Asher’s verwijdering van de ramen van de Clocktower New York (1976), Gordon Matta-Clark’s window blow-out (1976) tot Chris Burden’s Exposing the Foundations of the Museum (1986). In de jaren 1960 en 1970 was architectuur een instantie waar je tegen moest reageren. Architectuur werd beschouwd als de discipline en de praktijk die het systeem – de instituties en de sociale orde – representeert en kracht bijzet, en dus bekritiseerd, bevochten, gesloopt, vernield, doorkliefd of opgeblazen diende te worden. Architectuur geeft gedaante aan instituties – ze maakt ze ‘kenbaar’. Ze vormde dus het uitgelezen doelwit om die instituties aan te vallen en de kritiek te ‘visualiseren’. Door te interveniëren in architecturale elementen als deuren, ramen, trappen of funderingen – die bestanddelen die de institutionele ruimte definiëren en afbakenen – kon men de institutionele conditionering van dat interieur aanvechten en betwisten.
Dergelijke offensieven tegen architectuur zijn vandaag niet langer opportuun, laat staan betekenisvol. In een tijdperk dat gedicteerd wordt door commerciële, mediatieke en virtuele regimes, stelt zich de uitdrukkelijke behoefte aan temporele en ruimtelijke enclaves die ‘een verschil maken’. De kunst heeft nood aan eigen, afgebakende plaatsen die haar behoeden voor het roemloos en onopgemerkt wegspoelen met het visuele slib van de samenleving. Architectuur is nu eenmaal het medium bij uitstek om dat ‘verschil’ een zichtbare gestalte en concrete invulling te geven. Ze laat toe een kader aan te maken waarbinnen een instelling concrete en publiek aanschouwelijke zetten kan doen in het brede en bovenal nevelige veld van de cultuurproductie. ‘Subversieve’ werken als die van Sierra behelzen dan ook niet meer dan een zoveelste pathetische en hysterische aanslag op de verkeerde instantie, tekenend voor de kritische nulgraad waarop veel kunst vandaag opereert. Het is een blinde, nihilistische, en in politieke en maatschappelijk zin zelfs gevaarlijke, aanval van de kunst op dat instituut dat haar net bestaansrecht én zichtbaarheid verleent. In een artistiek-institutioneel landschap dat geteisterd wordt door een voortdurend ter discussie stellen van de ‘middelen’ én de ‘plaats’ van kunstinstellingen, getuigt het van een onwaarschijnlijke stupiditeit om zélf nogmaals de anti-institutionele kaart trekken, en dit precies door letterlijk die instantie te aan te pakken die ‘bemiddelt’ in de aanmaak en demarcatie van die institutionele plek. Sierra’s ontmanteling van het museumgebouw is dan ook niet meer dan een ordinaire stunt die het museum Dhondt Dhaenens voor even ‘zichtbaar’ in de media bracht. Maar het is bovenal representatief voor het cynisch gemak waarmee curatoren en conservatoren, in hun serviel geflirt met kunstenaars, hun eigen instelling op het spel willen en durven zetten. Bovendien ligt hun gezamenlijke verborgen agenda er al te dik op: de hang naar de reputatie van kritische en omstreden rebel. Het behoeft geen betoog dat we de plaats(en) waar de kunst publiek verschijnt, en de daarbij horende rol van architectuur, ter discussie moeten blijven stellen. Maar behoedt ons daarbij voor lichtzinnige en achterlijke ingrepen als die van Sierra.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte






