Jorinde Seijdel, Redactioneel (In)tolerantie

OPEN 10: (In)tolerantie). Vrijheid van meningsuiting in kunst en cultuur
Geen vertoog lijkt momenteel zo uitgehold als dat over tolerantie en vrijheid van meningsuiting: in de westerse cultuur, en niet in de laatste plaats de Nederlandse, zijn die verlichte concepten nauwelijks nog in staat betekenissen te genereren die ons allen aangaan én aanstaan. Door alle politieke geledingen heen torpederen grote en kleine controverses het traditionele consensusmodel van de democratie, en doorkruisen het publieke domein. De formele en informele codes, regels en afspraken die onze vrijheden en rechten binnen dat domein bepalen, werken niet goed meer. Het effect hiervan zou je soms cartoonesk kunnen noemen, als er niet zoveel echte doden bij vielen.
Voorbij het cynisme en het nihilisme moet het politiek-filosofische concept van de publieke sfeer opnieuw worden gearticuleerd. Verlangens hieromtrent worden niet alleen op de politiek geprojecteerd, maar ook op de kunst, als het gedoodverfde gebied van vrijheid van expressie en vorming van symboliek. Ook de architectuur en de stad manifesteren zich als projectieschermen voor experimentele opvattingen over zowel het gemeenschappelijke, als het heterogene en het autonome.
Open 10 brengt analyses, posities en voorstellen bijeen van theoretici, kunstenaars en ontwerpers die ingaan op vragen rond hedendaagse symboliek en vrijheid van (artistieke) expressie, in relatie tot het westerse tolerantiebegrip en vormen van extremisme. Op verschillende niveaus komt het failliet van het denken en handelen in termen van consensus hierbij tot uitdrukking. Niet voor niets worden binnen het culturele en kunsttheoretische vertoog de ideeën van filosoof Jacques Rancière - auteur van onder meer The Politics of Aesthetics: The Distribution of the Sensible (2004)- over de mogelijkheden van een politieke esthetiek en het perspectief van de ‘dissensus’ steeds vaker aangehaald. Rancière stelt dat een ware democratie gefundeerd moet zijn op een productieve ‘dissensus’, waarbij twee werelden zich binnen een en dezelfde wereld bevinden. Het radicale van deze propositie schijnt in de huidige situatie prikkelender dan het temende en uitgebluste harmoniemodel.
‘Dissensus’ als mogelijkheid sluit niet uit dat er aanspraak wordt gemaakt op idealisme en engagement. Peter Sloterdijk beschrijft in zijn Sferen-trilogie hoe de macro-sferen (‘Globen’) als homogene ruimten waarbinnen iedereen gelijk en geborgen is, geheel aan het ‘verschuimen’ zijn. Het moderne pluralisme en individualisme staan garant voor eindeloos veel schuimbelletjes, voor micro-sferen (‘Blasen’) die tegelijkertijd met elkaar verbonden als van elkaar gescheiden zijn. Sloterdijk gelooft in de positieve kracht van het schuim en pleit ervoor dat we ‘binnenstebuiten’ leren denken, om te kunnen omgaan met het vervagende onderscheid tussen binnen en buiten.
In het essay ‘Atmosferische politiek’ gaat Sloterdijk in op de premissen voor een democratische gemeenschap en het belang daarbij van geschreven en representationele media. De wortels voor de democratie komen ook aan de orde in het interview van Tom McCarthy met architect Maurice Nio en kunstenaar Paul Perry over het project Amsterdam 2.0, een ‘grondwet waarmee 400 steden hetzelfde grondgebied kunnen bevolken’ en waaraan een systeem van ‘radicale tolerantie’ ten grondslag ligt, dat stelt dat de burgers van de ene stad die van de andere niet hun wil met geweld kunnen opleggen.
Lonnie van Brummelen en Siebren de Haan benadrukken in hun open brief het belang van een ‘reflectieve pendel’ tussen het institutionele binnenste van de kunst en het ‘buiten’ waar zij is opgenomen. In Open staan tevens tekst- en beeldfragmenten uit Van Brummelens publicatie The Formal Trajectory, waarin verslag gedaan wordt van het traject van toestemming vragen dat vooraf ging aan haar filmproject Grossraum.
Roemer van Toorn signaleert esthetiek als politiek in de architectuur van Wiel Arets en Rem Koolhaas. Jeroen Boomgaard pleit voor een radicale autonomie in de beeldende kunst, om die te bevrijden uit de funeste planningsprocessen van de markteconomie. Lex ter Braak ageert tegen de oproep aan de kunst nieuwe symbolen voor Nederland te ontwerpen. De column van The Buggers gaat over repressieve tolerantie, terwijl Gijs van Oenen reflecteert over de verzuurde Nederlandse tolerantie binnen de nieuwe cultuur van assertie. Naar aanleiding van de omstreden kabouter Buttplug, het beeld van Paul McCarthy in Rotterdam, gaat Max Bruinsma in op de wraak van de symbolen en daagt hij de kunstenaar uit om voorbij de provocatie maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Martijn Engelbregt, bekend van spraakmakende projecten als Regoned en De Dienst die het instrumentarium van de democratie op de spits drijven, maakte een speciale bijdrage voor Open. Vanuit haar functie als lector Publieke Meningsvorming geeft Joke Hermes een visie op Engelbregts werk. Ontwerpster Ben Laloua/Didier Pascal interpreteerde in een serie tekeningen de weergave in gedrukte media van een aantal actuele gebeurtenissen, waaronder de revoltes in de Franse banlieus. Jorinde Seijdel schreef over Koolhaas en Google in China in het licht van het hedendaagse censuurbegrip.
Tevens is een bijlage toegevoegd, gemaakt door tweede fase-studenten van Dutch Art Institute in Enschede, waarin deze reageren op het vorige nummer over geluid.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte






