Rudi Laermans, Paradoxen van patrimonialisering

OPEN 7 Geheugen(loos). Bewaren en herinneren in hedendaagse Kunst en cultuur
De huidige inrichting en ervaring van het publieke domein wordt in grote mate bepaald door de spanning tussen individuele en collectieve, oude en nieuwe, autochtone en allochtone geheugens. Binnen het publieke domein moeten daarom de invulling, het beheer en de plek van het geheugen dringend opnieuw onderzocht worden. Hoe kan op actieve wijze gebruik worden gemaakt van de informatie die is opgeslagen in de actuele 'geheugenplekken'? Wat is hierin de rol van de kunst? Is er nog een collectief herdenken mogelijk? Hoe kan het cultureel erfgoed worden ontsloten zonder van stad en land één groot openluchtmuseum te maken? En wat zijn de implicaties van nieuwe media en digitale opslagtechnologieën voor het sociale en historische proces van bewaren en herinneren?
Aan de hand van enkele historische lijnen geeft de Belgische socioloog Rudi Laermans een analyse van het huidige 'erfgoedregime'. Het actualisme, dat de moderne tijd zo in haar greep houdt, kenmerkt zich door de nadruk op het vergeten. De huidige aandacht voor het erfgoed lijkt daarmee in tegenspraak. Maar juist door het beklemtonen van de autonome waarde van het verleden wirdt hierdoor de scheiding tussen heden en verleden versterkt. Volgens Laermans zijn het twee zijden van dezelfde medaille. De veel geuite kritiek op disneyficatie leidt slechts de aandacht af.
‘Er verandert veel in een mensenleven.
De meneer ging regelmatig naar het door snelwegen ontsierde landschap kijken, omdat hij wist hoe het er vroeger had uitgezien.
Een merkwaardige gewoonte.’
(Armando, De haperende schepping, 2003).
In Keulen ligt de befaamde Dom slechts op een forse steenworp van het station. In goed vijf minuten wandel je van het station naar het majestueuze kerkgebouw waar de toeristische dienst van Keulen zo graag mee uitpakt. Die vijf minuten te voet overbruggen een immense tijdsafgrond, zo merkt Boris Groys terecht op in ‘Die Stadt auf Durchreise’, een van de essays uit Logik der Sammlung. Ook al is de architectuur van het Keulse station niet echt hedendaags te noemen, ze blijft vagelijk herkenbaar als ‘van onze tijd’. We zouden er bovendien helemaal niet van opkijken indien het huidige stationsgebouw ooit gedeeltelijk werd afgebroken of wanneer er op een andere plek een volledig nieuw station zou worden gebouwd. De Dom lijkt daarentegen onvergankelijk, ja eeuwig, en verwijst naar een heel ander tijdperk dan het onze. “Het monumentale in de stad is dus voor ons het andere, het ontoegankelijke, het vreemde in de tijd – en daarom ook het onveranderlijke in de ruimte’’, zo schrijft Groys. “Men kan de Keulse Dom, net als een utopische stad, verwoesten, maar niet veranderen’’.
In Groys’ beeldspraak is het verschil tussen de monumentale en de vergankelijke stad geen feitelijk gegeven maar wordt actief gemààkt. Tijdens de voorbije decennia groeide de kloof tussen oude en nieuwe stedelijkheid, de historische binnenstad en de overige publieke ruimte, door de veralgemening van wat officieel te boek staat als patrimonium- of erfgoedbeleid. Dat het tot patrimonium verklaren van een deel van de gebouwde omgeving nogal eens gebeurt om de toeristische aantrekkingskracht van een stad te vergroten, is bekend. Groys gaat in zijn zojuist geciteerde essay nog een stap verder. Het stedelijke patrimonium zou niet op de toeristische blik wachten, veeleer is volgens Groys het omgekeerde waar: “pas het toerisme creëert deze monumenten, pas door het toerisme wordt een stad gemonumentaliseerd, pas op de doorreis wordt de altijd vervloeiende, gedurig veranderende stedelijke alledaagsheid tot monumentaal beeld van de eeuwigheid’’. Met deze prikkelende stelling gaat Groys nogal kort door de bocht. Ze negeert immers de hele erfgoed- of patrimoniummachine, het dynamische netwerk van juridische regelingen, overheidssubsidies en uiteenlopende belangen, dat telkens weer opnieuw specifieke artefacten uit het verleden uitselecteert, ze tot werkbare politiek-administratieve dossiers omvormt, met officiële bescherming en bewaring als eindresultaat. Zonder deze zou de toeristische blik gewoonweg heel wat minder te zien krijgen. Deze blik geldt in nogal wat gevallen van patrimoniumbeleid als impliciete premisse en draagt daar dan indirect toe bij. Maar erfgoedproductie en erfgoedtoerisme zijn hoe dan ook twee verschillende dingen, al impliceert het een ontegenzeglijk het ander.
De gangbare patrimonium- of erfgoedpraktijk heeft heel directe effecten op hoe tijd en geschiedenis binnen de stedelijke ruimte tegenwoordig verschijnen. Vooreerst ontstond er mét de officieel herinnerde stadsruimte een doorgaans veel omvangrijker stadsdeel zonder erkend ‘stenen geheugen’, vaak zelfs zonder verleden als zodanig. Vooral in nieuwbouwwijken zijn er, net als in naoorlogs Suburbia, weinig of geen architecturale tekens die naar vroeger verwijzen. Evenmin vindt men er veel symbolen die vanuit het heden op de langere termijn mikken, die de aanmaak van zoiets als een ruimtelijk geheugen beogen. De publieke ruimte is er een en al voorlopigheid, ze straalt helemaal geen streven naar boventijdelijkheid of monumentaliteit uit - en doet ze dat bij uitzondering toch wel eens, dan komen de bouwsels gewoonlijk als te gewild en daarom retorisch over. Kortom, het tot patrimonium verklaren van een klein deel van de stedelijke ruimte beklemtoont de manifeste geheugenloosheid van het grootste gedeelte van de gebouwde omgeving uit de twintigste eeuw, vooral die uit de naoorlogse periode. Moet dan soms het bezoek aan ‘de monumentale stad’ het wonen en werken in ‘de vergankelijke stad’ compenseren, zoal niet legitimeren?
Er is nog een tweede paradox: de monumentale stad komt buiten de historische tijd te staan, ze wordt onvergankelijk gemààkt. Gebouwen, pleinen of monumenten worden als het ware temporeel ingevroren, in de regel na een grondige opschoning (die hen verjongt) en vaak na restauratie (die nogal eens op artificiële veroudering neerkomt). Toekomstige ingrepen zijn uit den boze en worden juridisch bijna onmogelijk zodra een relict als officieel patrimonium is erkend. Precies deze temporele verduurzaming is het duidelijkste spoor van de actieve transformatie van een artefact uit het verleden, of dat nu wel of niet materieel is, in een erfgoed- of patrimoniumstuk (die twee woorden gebruik ik hierna overigens als synoniem). Het wordt letterlijk iets ànders, het komt als ‘getuige van het verleden’ in een zowel professioneel als juridisch streng bewaakte buitentijdelijke autonome zone vast te zitten. Dat is allicht zelfs de basisoperatie van iedere vorm van patrimonialisering of, met een nog lelijker neologisme, vererfgoeding. Het voordeel van deze werkwoordsvormen is dat ze meteen de illusie doorprikken dat het erfgoedkarakter van een artefact uit het verleden gewoonweg wordt vastgesteld. Dat is manifest niet het geval. Iets wordt tot erfgoed verklaard, en dat is onontkoombaar een performatieve taaldaad en geen neutrale vaststelling.
Een derde paradox is dat de praktijk van patrimonialisering zich steeds beroept op ‘het belang van het verleden voor het heden’. Maar niets of niemand kan garanderen dat de officieel herinnerde stadsruimte ook door een levendige herinneringsgemeenschap wordt gedragen. Bewaren en restaureren zijn één zaak, via relicten het verleden herinneren – in de betekenis van ‘aandenken’ – een tweede. De geïnventariseerde en geclassificeerde, vaak ook wettelijk beschermde monumentale stad is natuurlijk nooit volstrekt geheugenloos. Ze kent minimaal een gebruiksgeheugen, dat waarschijnlijk tot op grote hoogte een collectief karakter bezit. Markante bouwsels uit het verleden fungeren immers gewoonlijk als gedeelde merktekens in de verder volstrekt singuliere geheugens van al wie woont, werkt of regelmatig consumeert in bijvoorbeeld een historisch stadscentrum. Met zo’n gebruiksgeheugen is het echter als met ieder normaal functionerend individueel geheugen. Het herinnert meestal niet reflexief of bewust, het staat niet of nauwelijks stil bij de omgeving voorzover die is gekend en normaal aandoet. De gebruiker van een vertrouwde omgeving handelt onnadenkend, zoal niet verstrooid. ‘Niets onzichtbaarder ter wereld’, zo merkte een ironische Musil ooit op over monumenten die de levenden aan de doden moeten herinneren – en hij had het, uiteraard, over de modale stadsgebruiker. Die is onaandachtig en heeft genoeg aan enkele stereotiepe beelden om vooruit te komen. Actieve stadsgebruikers concentreren zich op hun eigen, lopende zaken; ze vergeten daarom voortdurend de eventuele monumentaliteit of boventijdelijkheid van de gebouwde omgeving. Ze willen een koffie of een pils, zijn gehaast op weg naar werk of woonstede. Alledaagse besognes veranderen zo de veelgeroemde pracht en praal van binnenstad of historisch centrum in een hooguit terloops waargenomen decor (of in een bron van verkeersergernis…). Wie een monument of gebouw bezienswaardig vindt, bewonderend een straat aftuurt of met belangstelling een plein monstert, is misschien een inwonende flaneur-op-leeftijd, maar met grotere kans een passerende toerist.
De Franse Revolutie
Wij vinden het thans vanzelfsprekend dat een gebouw, plein of monument tot onroerend erfgoed kan worden uitgeroepen (er bestaat zelfs zoiets als werelderfgoed). Deze evidentie heeft echter een geschiedenis die onlosmakelijk is verbonden met het meer algemene proces van modernisering. In deze geschiedenis vallen grofweg twee grote lijnen te onderscheiden, zo laat Françoise Choay in L’allégorie du patrimoine zien. De eerste, tevens de oudste lijn, heeft op het eerste gezicht een merkwaardige inzet: hoe om te gaan met de relicten van een verleden dat men nadrukkelijk afwijst? Deze vraag drong zich na 1789 al snel op aan de erfgenamen van de Franse Revolutie. Wat moesten de nieuwe citoyens soms aanvangen met de talloze standbeelden en andere publieke artefacten die naar het omvergeworpen Ancien Régime verwezen? Wat te doen met de genaaste kerken en kloosters én hun inboedels? Wat te beginnen met de hotels, kastelen, kunstwerken, meubels van de koninklijke familie en de talloze gevluchte edellieden? De revolutionairen wilden welbewust vergeten – maar onder meer de publieke materiële sporen van het officieel afgeschafte verleden werkten als de bekende ‘terugkeer van het verdrongene’, als insisterende symptomen van een afgewezen historische realiteit. Dat leidde, voorspelbaar, tot symptoombestrijding: sommige genaaste goederen werden vernietigd, onder meer tijdens de officieel gedekte vandalismegolf die in 1792 op de aanhouding van de gevluchte ex-koning volgde. Dat is echter niet het hele verhaal, want een niet onaanzienlijk deel van de symbolisch besmette erfenis aan roerende goederen belandde in het Louvre, wellicht het eerste museum in de moderne betekenis van het woord (de idee om van het Louvre een publiek museum van te maken, circuleerde overigens al tijdens de laatste jaren van het Ancien Régime). Voor gebouwen, monumenten en andere onroerende artefacten kwamen er dan weer richtlijnen om het belangrijke van het onbelangrijke te schiften, dat wat bewaarwaardig was te scheiden van wat tussen de plooien van de geschiedenis mocht vallen.
De postrevolutionaire Franse staat inaugureerde onder de vlag van de patrimoniumnotie een centralistisch beleid met een sterk nationalistische stempel. ‘Het rijke verleden’ was politiek en maatschappelijk fout, maar dat was het bewaarde patrimonium niet noodzakelijk aan te zien. De materiële relicten uit het verleden konden in een andere genealogie worden opgevoerd, die van volk, natie en natiestaat. Hun historische of documentaire waarde werd uiteraard niet geloochend, maar als erfgoedstukken kwamen ze in een ander vertoog dan dat van de wetenschappelijke historiografie terecht (tegelijkertijd neigde die laatste tijdens de negentiende eeuw zélf ook heel vaak tot het legitimeren van de mythische genealogie van een natiestaat). Het officiële patrimonium verleende de natiestaat in de eerste plaats een imaginaire stamboom, daarnaast bood het esthetische grandeur. Daarom kon het bijdragen tot burgerzin en burgerschap: het moest ‘het volk’ respect voor de eigen natiestaat bijbrengen. “Al deze kostbare goederen die men ver van het volk hield of die men het enkel toonde om het te imponeren en respect af te dwingen; al deze rijkdommen horen het (volk) toe. Voortaan zullen ze gebruikt worden voor de publieke ontwikkeling; ze zullen dienen voor de vorming van wetgevers-filosofen, van verlichte magistraten, van ontwikkelde landbouwers, van artiesten wier genie een groot volk niet vruchteloos zal opdragen om waardig haar successen te fêteren’’, zo heet het in de Instruction sur la manière d’inventorier et de conserver uit 1793.
De Franse Revolutie was geen eenmalig politiek feit. Moderniteit en politieke revolutie, het is bekend, zijn als de twee zijden van éénzelfde munt. Soms stond de opstand in het teken van de utopische mogelijkheid van een totale politieke omwenteling, dan weer stond het streven naar politieke onafhankelijkheid voorop, en een derde keer gingen beide motieven samen. Maar wat ook haar inzet was, op elke nieuwe opstand volgde steevast het moment van ‘de terugkeer van het verdrongene’. Politieke instellingen konden van de ene op de andere dag diepgaand hervormd worden; met het materiële verleden was dat niet mogelijk, net zomin trouwens als met zeden, gebruiken en andere vormen van wat thans immaterieel erfgoed heet. De publieke materiële sporen van vroeger waren er gewoon, als tegelijk welsprekende en monddood gemaakte restanten van een officieel afgeschafte ‘oude tijd’. Hun vroegere symbolische waarde werd niet langer (h)erkend, maar in een postrevolutionair patrimoniumregime kregen ze gewoonlijk twee nieuwe dominante betekenissen. Patrimonialisering kwam daarbinnen, zoals gezegd, vooral neer op enerzijds het nationaliseren, letterlijk en vooral figuurlijk, anderzijds het esthetiseren van het materieel geërfde verleden. Deze omgang met ‘de verleden tijd’ is nog lang geen voltooid verleden tijd, integendeel.
Ruskin
De tweede lijn in de omgang met relicten uit het verleden kreeg vorm in Engeland en is onlosmakelijk verbonden met de namen van John Ruskin en William Morris. Zij reageerden omstreeks het midden van de negentiende eeuw met een brede weerklank op de aantasting, zoal niet de destructie van landschappen – ze heetten nogal eens pittoresk –, gebouwen en monumenten in het kielzog van de Industriële Revolutie. Het industrialisatieproces zorgde echter in een bredere zin voor een als ingrijpend ervaren breuk tussen verleden en heden. Enerzijds creëerde de industrieel-kapitalistische productiewijze een nieuwe architecturale annex sociale realiteit: fabrieken, industriesteden, proletarisering en concentratie van arbeiders in stedelijke getto’s. Anderzijds devalueerde ze heel sterk de waarde van handwerk en ambachtelijke vaardigheden, van traditie en gemeenschapsleven. De ‘nieuwe beschaving’, een toen veelgebruikte uitdrukking, zorgde zo op haar beurt voor een herinneringscrisis. Anders dan een revolutionair regime wees ze het voorindustriële verleden echter niet welbewust af. Veeleer volstond ze met het te negeren en het opzij te schuiven: het nutteloze was per definitie economisch waardeloos, en ‘dus’ verdiende het verleden aandacht noch erkenning; ‘dus’ kon het zonder nostalgie of spijtgevoelens worden aangetast, veranderd, zelfs vernietigd. Precies dit schijnbaar neutrale maar feitelijk brutale in elkaar schuiven van instrumentele rationaliteit, marktwaarde en maatschappelijke waarde zal de romantisch geïnspireerde cultuurkritiek blijvend aanvechten, in naam van een verheven kunstbegrip evengoed als van een als onvermijdbaar voorgesteld historisch besef.
“We kunnen leven zonder de architectuur, onze God aanbidden zonder haar, maar zonder haar zouden we niet kunnen herinneren’’, zo merkt Ruskin ergens op in ‘The Lamp of Memory’, het beroemde zesde hoofdstuk van The Seven Lamps of Architecture (1849). De gedachte dat de gebouwde omgeving een cruciale rol speelt in het collectieve geheugen was midden de negentiende eeuw bepaald niet nieuw, maar vormde een gemeenplaats in de architectuurgeschiedenis. Ruskin neemt ze echter zeer letterlijk, wat deels zijn geëngageerde inzet voor het bewaren – maar zonder restauraties! – van sites of gebouwen verklaart. Want in de visie van Ruskin verzekert de gebouwde omgeving een quasi-direct contact tussen verleden en heden. Via standbeelden en monumenten, eenvoudige huizen en protserige paleizen, intact gebleven landschappen en stadskernen, zou het verleden ons quasi-onmiddellijk toespreken, vaak meerstemmig maar altijd krachtig. Ruskin munt er daarom een neologisme voor, voicefulness. Kortom, architecturale relicten zijn altijd méér dan louter materiële artefacten uit het verleden. Mét hun presentie in het heden worden altijd ook een of meer betekenissen uit het verleden méé gerepresenteerd. Kerken vertellen hoe de mensen vroeger God eerden, woningen zeggen hoe onze voorouders hun woningen verfraaiden, stadswijken tonen hoe eerdere generaties sociale verschillen vormgaven.
Volgens Ruskin praat de gebouwde omgeving hardop, en precies daarom moet er voorzichtig worden mee omgesprongen: zoveel minimale eerbied is men een gesprekspartner verschuldigd. Maar waarom hoorde hij wel ‘de stem van het verleden’ in een verzameling stenen en waren zovele anderen er potdoof voor? Waarom moest hij zijn tijdgenoten ervan overtuigen dat er überhaupt iets te beluisteren viel en daarom oude landgoederen of cottages het bewaren waard waren? Ruskin wist natuurlijk ook wel dat de door hem gegispte onverschilligheid voor de taal van het verleden ten nauwste samenhing met de nieuwe industriële context. De moderniteit bracht praktische en toekomstgerichte mensen voort, die tijd noch oren hadden voor voorbije verhoudingen en hun sedimentatie in steen of hout. Zij vonden het niet erg dat een tot dan toe ongerept landschap onder het roet van een fabriek kwam te liggen, of dat een stijlvol landgoed plaatsmaakte voor een rendabele mijnexploitatie. Ruskin en zijn medestanders aanvaardden dit basale, niet door politieke afwijzing maar door onverschilligheid en geldgewin gemotiveerde vergeten niet. Voor hen was het respecteren van relicten uit het verleden dan ook minder een zaak van nationalisme of esthetiek – al speelde dat laatste natuurlijk wel – en veeleer een eigenstandige morele kwestie.
In Ruskins verspreide opmerkingen tekent zich inderdaad een basishouding af die tot op de dag van vandaag het denken over erfgoed en patrimonium – dat overigens vooral een doen is – doordesemt. Ze erkent dat het verleden een gedane zaak is en het moderne of hedendaagse mensen lessen noch identiteiten aanreikt. Anders dan in de nationalistisch geïnspireerde vormen van patrimonialisering is deze tweede lijn belerend noch pedagogisch. Relicten uit het verleden zijn veeleer uit zichzelf waardevol, ja goed in de morele betekenis. Ze verdienen achting en respect omwille van hun loutere temporele herkomst, en daarom is het bijhouden ervan een moreel minimum. Kortom, de culturele of symbolische afstand tussen verleden en heden wordt terdege (h)erkend maar tegelijkertijd gemoraliseerd. Dat levert alweer een heuse paradox op: de actuele levensverhoudingen dringen aan op vergeten, maar dat mag niet onze algemene levensconditie definiëren, er moet een domein zijn waar we sporen van het verleden nadrukkelijk blijven herinneren, ja eren. Zo bekeken getuigen erfgoedproductie en erfgoedtoerisme in de eerste plaats van het bestaan van een specifieke moraal met quasi-sacrale trekjes, een die het dominante vergeten tracht te counteren door voor relicten uit het verleden een minimum aan achting, zelfs piëteit te vragen. Deze patrimoniummoraal wordt, zoals wel vaker in morele communicatie het geval is, nu al een tijdje als vanzelfsprekend uitgedragen en vormt een van de hoekstenen van het officiële erfgoeddiscours. Argumenten ontbreken – maar de hele erfgoedsector kampt dan ook nog altijd met een opvallend gebrek aan theorievorming en reflexiviteit.
Gedistantieerd verleden
Het patrimonium- of erfgoedvertoog verzelfstandigt het verleden tot een autonoom object van morele waardering, zonder directe banden met het heden en met miskenning van de altijd specifieke historische context waaruit de bewaarde artefacten stammen. Het gaat inderdaad juist niet om de singuliere objecten, ook al zet bijvoorbeeld ieder beschermingsdossier de historische particulariteit van het verdedigde artefact graag in de verf. Doorslaggevend is de positieve én moreel geladen waardering van het Verleden, met hoofdletter – en die kan zich in principe op eender wat uit eender welk tijdperk richten. Een erfgoedtoerist bewondert dan ook het verleden als zodanig en bekijkt zonder enige discriminatie alle architecturale relicten in een oude binnenstad; evenmin vindt hij het vreemd dat een museumtraject start in de Egyptische oudheid en ergens halfweg de negentiende eeuw plots ophoudt. Precies deze algemeenheid van het patrimoniumregime, die door de breedheid van de erfgoedsector wordt weerspiegeld, doet het verschillen van de wetenschappelijke omgang met het verleden. De historiografie bestudeert, als het even kan waarderingsvrij, in principe alles wat ooit het geval is geweest. Ze beschouwt het verleden als een immense geschiedenis, als een onpeilbare zee van temporele gebeurtenissen waartussen misschien verbanden bestaan maar die hoe dan ook dateerbaar en lokaliseerbaar zijn. Plaats en datum vormen de twee basiscoördinaten van iedere vorm van wetenschappelijke geschiedschrijving, zonder deze is die gewoonweg ondenkbaar. Het erfgoedregime produceert daarentegen vanuit een verzelfstandigde positieve waardering van het verleden een eigen object. Doorgaans beroept het zich ten dele op de tijd van geschiedenis en geschiedschrijving, maar zowel in de productie als de receptie van erfgoedartefacten regeert de tegelijk homogene en abstracte, niet-evenementiële tijd van het verleden als loutere verledenheid.
Het erfgoedregime heeft nog een ander opvallend kenmerk, waar ik al enkele keren op zinspeelde. Het plaatst het verleden op een afstand, en dat letterlijk: het maakt het toon- en bezienswaardig, het creëert een gigantische verzameling visuele attracties. In deze collectie doen periodisering of datering er veel minder toe dan het simpele feit dat ze relicten uit het verleden omvat. Daarmee wordt geen directe band aangegaan, integendeel. Het achter glas plaatsen van oude gebruiksvoorwerpen, de uit musea overbekende bordjes ‘niet aanraken!’ of het temporeel bevriezen, ja vereeuwigen van gebouwen illustreren dat in het patrimoniumregime het verleden letterlijk en figuurlijk op een afstand wordt geplaatst. Met dit gedistantieerde verleden onderhouden stadsbewoners noch erfgoedbezoekers een directe band. Ze leven tussen de opgekuiste sporen van een algemene verledenheid of ze bewonderen die, buiten en binnen gebouwde ruimten – maar gewoonlijk zonder dat ze een plaats krijgen in het heden, zonder dat ze in individuele biografieën worden ingeweven en zo geactualiseerd. Patrimonialisering creëert een eigen object, ‘verledenheid’, en tegelijkertijd ook een immens archief dat doods verleden blijft. Het bewaarde verleden wordt met talloze zorgen omringd, het krijgt veel visuele aandacht en wordt uitgebreid bewonderd, zelfs gefêteerd en geëerd. Maar het functioneert meestal niet als een sociaal of cultureel geheugen waarbinnen herinneren synoniem is met herdenken of aandenken.
De Weense kunsthistoricus Alois Riegl was ongetwijfeld de eerste die duidelijk inzag dat patrimonialisering neerkomt op zowel een eigenstandige, niet-historische waardering als een grote distantiëring van het bewaarde verleden. In Der moderne Denkmalkultus (1903) maakt Riegl een onderscheid tussen monumenten, in de strikte zin, en historische monumenten. De eersten zijn nadrukkelijk bedoeld als memorialen, opgetrokken door een collectiviteit om zelf een gebeurtenis, rite of overtuiging te herinneren en/of die door komende generaties te laten herinneren. Historische monumenten zijn daarentegen een specifieke uitvinding van de Renaissance, die heel uiteenlopende artefacten begon te herwaarderen omdat ze daarin een gouden historisch tijdperk zag weerspiegeld. Anders dan monumenten an sich waren deze artefacten niet bedoeld als herinneringstekens. Hun herinneringswaarde, een notie die Riegl overigens nadrukkelijk gebruikt, bezit dan ook een overwegend cognitief karakter. Historische monumenten, zo betoogt Riegl, kunnen thans nog altijd zuiver esthetisch aanspreken, los van iedere historische context, maar hun herinneringswaarde ontlenen ze primair aan het feit dat ze de algemene historische kennis verrijken of kunsthistorische inzichten aanreiken. Het historische monument kan echter behalve puur esthetisch of voornamelijk cognitief ook nog op een andere manier worden gesmaakt. Déze herinneringswaarde is de ‘Altertumswert’, de ouderdomswaarde van een artefact uit het verleden. Dat mag cultuur- of kunsthistorisch van weinig belang zijn, het kan bij iedereen een ‘vagelijk esthetisch’ gevoel opwekken doordat het de tijd heeft doorstaan maar daar tegelijk de sporen van draagt.
Riegl velt op het eerste gezicht geen expliciet waardeoordeel over de door hem geobserveerde bewondering voor ‘het oude’. Tegelijk wijzen zowel de titel als de algemene teneur van Riegls essay erop dat de auteur, die sleutelposities binnen de Oostenrijkse monumentenzorg bekleedde en dus allicht ietwat voorzichtig formuleerde, zich terdege bewust was van de morele, zelfs quasi-sacrale inslag van het beschreven fenomeen. Ook al benadrukt Riegl het zelf niet met zoveel woorden, het is logischerwijs vooral de ouderdomswaarde die rond historische monumenten een cultus zonder voorgaande installeert. Riegl typeert die onder meer in termen van een ‘Stimmungswirking’ die geen enkele historische kennis vereist en van de historiciteit van het concrete object volstrekt abstractie maakt. Zelfs het object zélf “vervluchtigt in deze derde klasse van monumenten volledig tot een noodzakelijk kwaad’’, aldus Riegl. “Het monument blijft nog enkel een onvermijdelijk zintuiglijk substraat om in zijn beschouwer die stemmingswerking op te wekken die in moderne mensen de voorstelling teweegbrengt van de wetmatige kringloop van wording en vergaan, van het opduiken van het individuele uit het algemene en zijn langzame natuurnoodzakelijke opnieuw opgaan in het algemene’’.
Riegls ouderdomswaarde, laat daar geen twijfel over bestaan, valt niet samen met wat ik zojuist ‘verledenheid’ noemde. Uit Riegls karakteriseringen valt duidelijk op te maken dat volgens hem de ouderdomswaarde niet losstaat van de patina van een artefact uit het verleden, de aanwezigheid van zichtbare sporen van veroudering. ‘Verledenheid’ is daarentegen die boventijdelijke en niet-historische zone waarin materiële objecten – in welke toestand ze zich verder ook bevinden – na hun vererfgoeding terechtkomen. Het is de specifieke temporaliteit van musea evengoed als van gebouwen die paradoxaal genoeg als historisch te boek staan. Overigens is het allesbehalve een trouvaille om ‘verledenheid’ en historiciteit, erfgoed en geschiedenis of geschiedschrijving, uit elkaar te halen. Sinds de publieke ontsluiting op grote schaal van gebouwd en ander patrimonium vanaf eind jaren zeventig, regent het klachten over de enscenering van het verleden als spektakel, over inauthenticiteit en ‘fakelore’, over historische simulacra. Maar is het zinvol om het erfgoedregime en haar verzelfstandiging van de waarde van ‘het oude’ aan de wetenschappelijke historiografie en haar neutrale geschiedenisbegrip te opponeren? Wat winnen we er nu eigenlijk mee om de ‘verledenheid’ van het patrimoniumvertoog altijd weer opnieuw tegen het verleden af te zetten? Zo’n primair cognitieve kritiek ontmaskert de homogene tijd van de ‘verledenheid’ als vals en onwaar, maar negeert de achterliggende act van waardering. Het specifieke van die act heeft veel, zoniet alles te maken met het moderne regime van historiciteit. Die laatste uitdrukking – ze stamt van de Franse historicus François Hartog – verwijst naar de manier waarop een groep of cultuur vanuit het heden met het eigen verleden omgaat en, algemener, naar haar verhouding tot tijd en temporaliteit.
Mét de moderniteit ontstond tevens een nieuw regime van historiciteit. In sommige sociale contexten, vooral die van de intieme en familiale verhoudingen, heerst deels nog het prémoderne regime dat op de mogelijkheid van een directe symbolische uitwisseling tussen heden en verleden berust. Een dode ouder of overleden partner wordt actief herdacht, hij of zij blijft alledaagse activiteiten vaak structureren of betekenis geven en is daarom nooit hélemaal dood zolang een levend geheugen de herinnerde met gevoelens, handelingen of objecten verbindt. In zowat alle andere levenssferen domineert daarentegen het vergeten, gewild of ongewild, met of zonder revolutionaire credo’s (het is nu al een tijdje dat laatste, wat mede de diagnose van de postmoderniteit legitimeert). Economie en onderwijs rekenen nog in termen van één jaar – de jaarrekening, het schooljaar, het academische jaar –, maar de massamediamieke berichtgeving op bijvoorbeeld de radio kent een looptijd van hooguit één uur. Tussen die twee uitersten in bevinden zich de operationele of functietijden van de meeste andere macrosystemen (voor hun archieven ligt dat soms anders – maar daarom gaat het ook om archivering). Snel vergeten is kortom de maatschappelijke regel, ook bijvoorbeeld in organisaties. Voor alle duidelijkheid: ik beweer niet dat een moderne – of een postmoderne – samenleving zoiets als een structurele geheugencrisis kent. Deze veelgehoorde diagnose hanteert een letterlijk éénzijdige en daarom discutabele visie op geheugenwerk (ook hier hebben we alweer een werkwoord nodig: ‘geheugenen’). Een geheugen herinnert én vergeet, en moderne sociale geheugens hebben gewoonweg een structurele voorkeur voor vergeten. Nergens is dat allicht publiek zichtbaarder dan in de sfeer van mode en consumptie.
Door de nadruk op vergeten, dus het geringe belang van herinneringen en andere sporen uit het verleden voor het actuele functioneren van economie, wetenschap, kunst, politiek…, neigde het moderne regime van historiciteit van meet af aan naar een totale waterscheiding tussen verleden en heden. Misschien betekent het moment van de postmoderniteit, ondertussen overigens ook al weer een archaïsch aandoende uitdrukking, precies de semi-voltooiing van deze evolutie? Hoe dit verder ook zij, tussen ‘toen’ en ‘thans’ bestaan in onze samenleving nog nauwelijks symbolische uitwisselingsrelaties, daarvoor gaan economische of sociale, culturele of technologische veranderingen nu al een tijdje gewoonweg té snel. Deze temporele non-communicatie resulteert in twee volkomen tegengestelde waarderegimes. Dat van het actualisme spoort met de feitelijke dominantie van het vergeten in onze samenleving. Het waardeert verandering in het heden, conform het bekende motto ‘stilstaan is achteruitgaan’; het looft vernieuwing en een flexibele instelling, tot voor kort vanuit een toekomstgericht vooruitgangsgeloof – maar zonder deze metalegitimatie kan het ook: ‘postmoderniteit = moderniteit minus futurisme’. In het actualisme is verandering hoe dan ook een waarde an sich. ‘Nieuw = goed’ en ‘oud = out’, dàt is boudweg de basismoraal van het actualisme als waarderegime. Het tweede waarderegime, dat van patrimonium en erfgoed, benadrukt daarentegen de autonome waarde van het verleden. ‘Oud = goed’, en daarom loont het de moeite om oude artefacten te bewaren en te beschermen enerzijds, ze te bezoeken en te bewonderen anderzijds. Niet alleen krijgt onze relatie tot het verleden zo een autonomie die de dominantie van het vergeten en van actualisme vaak enkel versterkt. Het gemoraliseerde verleden wordt tevens een object van zorg en piëteit, het komt op zichzélf en dus ook op een afstand te staan.
Aan de ene kant het heden, de tijd van nieuws, mode, bankuitreksels, internetinformatie… – kortom, het vergankelijke. Conform de moraal van het actualisme kan het allemaal nooit snel genoeg wisselen, want veranderingen zijn goed op zichzelf. Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich het verleden, in de vorm van een massieve verledenheid die wordt bevolkt door ontelbare artefacten ‘van vroeger’. Ze worden zorgvuldig bewaard en beheerd, en ze zijn er om bekeken te worden. De blik van museumbezoeker of erfgoedtoerist overbrugt de afstand tussen heden en verleden niet en wordt evenmin gestructureerd door veel historische kennis of verbeeldingskracht. Maar in zijn loutere aandacht voor het geziene drukt deze blik wel een specifieke waardering uit: ‘wat uit het verleden tot ons is gekomen, verdient respect’. Daarmee wordt dat verleden niet ook actief herdacht, herinnerd of geactualiseerd. Integendeel, door het binnen het afgezonderde domein van erfgoed en patrimoniumzorg te respecteren, kan het in de dagelijkse train de vie des te beter worden genegeerd. Actualisme en patrimoniummoraal vormen twee zijden van éénzelfde medaille – en daar zal nog een klacht méér over de ‘disneyficatie’ van het verleden binnen het erfgoedregime niets aan veranderen.
Selectieve bibliografie
Armando, De haperende schepping. Amsterdam/Antwerpen, Uitgeverij Augustus, 2003.
Aleida Assmann, Erinnerungsräume. Formen und Wandlungen des kulturellen Gedächtnisses. München, Beck, 1999.
Stephen Bann, The Inventions of History. Essays on the Representation of the Past. Manchester, Manchester University Press, 1990.
Diane Bartell, Historic Preservation. Collective Memory and Historical Identity. New Brunswick, Rutgers University Press, 1996.
Christine Boyer, The City of Collective Memory. Its Historical Imagery and Architectural Entertainments. Cambridge (Mass.)/London, The MIT Press, 2001.
Françoise Choay, L’allégorie du patrimoine. Paris, Seuil, 1999.
Boris Groys, Logik der Sammlung. Am Ende des musealen Zeitalters. München/Wien, Carl Hanser Verlag, 1997.
Marc Guillaume, La politique du patrimoine. Paris , Galilée, 1980.
Francois Hartog, Régimes d’historicité. Présentisme et expériences du temps. Paris: Seuil, 2003.
Barbara Kirschenblatt-Gimblett, Destination Culture. Tourism, Museums, and Heritage. Berkeley , University of California Press, 1998.
Reinhart Koselleck, Vergangene Zukunft. Zur Semantik geschichtlicher Zeiten. Frankfurt, Suhrkamp, 2003.
Jacques Le Goff, History and Memory. New York, Columbia University Press, 1992.
David Lowenthal, The Heritage Crusade and the Spoils of History. Cambridge, Cambridge University Press, 1996.
Michel Rautenberg, La rupture patrimoniale. Bernin, A la croisée, 2003.
Alois Riegl, Gesammelte Aufsätze. Berlin, Gebr. Mann Verlag, 2000.
John Ruskin, The Seven Lamps of Architecture. London, Dover Publications, 1990.
John Urry, The Tourist Gaze. London/Thousand Oaks/New Delhi, Sage, 2002.
Kevin Walsh, The Representation of the Past. Museum and Heritage in the Post-Modern World. London/New York, Routledge, 1992.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte






