Mark Wigley, Ontworpen onveiligheid. WTC New York

OPEN 6 (On)veiligheid. Kunst, openbare ruimte en veiligheid
Binnen het hedendaagse publieke domein heerst een verlangen naar veiligheid. Het individu en de samenleving eisen in toenemende mate bescherming en controle van de ruimte, zichzelf en de ander. Er dreigt een controlesamenleving, echter zonder duidelijkheid over de aard en oorsprong van de onderliggende angsten.
In dit cahier worden de gevolgen van de actuele preoccupatie met veiligheid onderzocht voor de publieke ruimte en de beeldende kunst. Wat zijn de implicaties voor het functioneren van het publieke domein, voor de inrichting, vormgeving en ervaring ervan? En wat is de invloed ervan op de opgave en perceptie van kunst?
Vanuit de kunst, architectuur, filosofie en politiek passeren theoretische en praktische scenario’s, voorstellen en visies die iets van het hedendaagse veiligheidsparadigma blootleggen, alternatieve (denk)modellen bepleiten of inzicht geven in de actuele ethiek en esthetiek van de veiligheid.
Het idee dat architectuur het gevaar buiten de deur houdt, blijkt sinds de aanslagen op de WTC-gebouwen in New York een fabeltje. Architecten moeten dan ook ophouden met te doen alsof architectuur veiligheid en bescherming biedt. Zolang ze niet willen inzien dat architectuur niet neutraal is, blijven ze bouwen aan nieuwe doelwitten.
Een erg hoog gebouw zuigt een vliegtuig in zich op en zakt na 105 tartende minuten in elkaar, nadat het zijn tegenhanger naast zich al hetzelfde lot heeft zien ondergaan. Iedereen ziet het. Keer op keer. Het slaat ieder oog en ieder oor met stomme verbazing. Toen de torens instortten, schudde de wereld op haar grondvesten. Niemand kon aanvaarden wat er te zien was. Zo’n verticale val leek onmogelijk. En hoeveel analyse er ook is losgelaten op de mechanische kant van de instorting, de eenvoudige wijze waarop de aanval werd uitgevoerd of de strategische missie van de aanvallers, het wordt er niet minder ongelooflijk van. De gebeurtenis blijft niet te bevatten en verbaast zelfs degenen die haar hebben aangericht.
Architecten wordt om een antwoord gevraagd. Zij die verantwoordelijk zijn voor het ontwerpen van gebouwen zullen toch wel de betekenis van deze traumatische gebeurtenis kunnen uitleggen? Ze doken op uit een relatieve anonimiteit en kregen artikelen in tijdschriften en werden uitvoerig geciteerd in dagbladen. Ze verschenen in praatprogramma’s op televisie en werden in nieuwsuitzendingen geïnterviewd. Elke tak van het veld werd gemobiliseerd. Geen enkele ontwerper of criticus kon gemakkelijk volharden in een bedachtzaam zwijgen. Toch werd er weinig gezegd. Iedereen beweert in de gebeurtenis het duidelijkst mogelijke bewijs te zien voor iets wat men altijd al heeft beweerd. Al die interviews fungeerden voornamelijk als een disciplinaire therapie, een herwaardering van het traditionele beeld van de architect als producent van voorwerpen die een cultuur op haar gemak weet te stellen, en een hardnekkige ontkenning van het feit dat architecten al evenzeer de kluts kwijt zijn als de getraumatiseerde personen voor wie ze werken.
Waardoor raakte onze anders zo hyperbewuste en aartsparanoïde wereld dermate geschokt? Niet door de dood van een aantal mensen. Dat soort aantallen zijn tragisch genoeg maar al te gewoon op een planeet die routinematig wordt geteisterd door honger, oorlog, ziekte en volkerenmoord. Ook niet puur door de terroristische aanslag op een hoog grootstedelijk gebouw. Gebouwen liggen voortdurend onder vuur. Ook al prijkte er op de voorpagina’s van de krant regelmatig een letale ruïne van een met de grond gelijkgemaakt eigentijds gebouw, niet één van deze verwoestingen inspireerde tot enigerlei debat over architectuur. Alleen bij de verwoesting van het World Trade Center zijn de ontwerpers en critici als gieren neergestreken om de plaats van de instorting leeg te pikken, maar veel te bieden hadden ze niet, omdat de aloude link tussen architectuur en geweld al veel te lang uit hun discussies was gebannen.
Geruststellende getuige
Om de gebeurtenis te kunnen snappen, moeten we iets begrijpen van de heftige fantasieën die mensen hebben over gebouwen in het algemeen en de Twins in het bijzonder. Willen we leren begrijpen hoe diep en complex de reacties waren, dan moeten we beginnen op het allereenvoudigste niveau. Heel simpel gezegd worden gebouwen gezien als een vorm van bescherming, een afzondering van gevaar. Het is onaanvaardbaar om door een gebouw te worden verwond. Zelfs de geringste fragmentatie van een bouwwerk is al voorpaginanieuws. Als een gebouw instort en er daarbij doden vallen, is dat internationaal nieuws – dat architectuur de dood tot gevolg kan hebben is ondraaglijk. Bovendien worden gebouwen van oudsher geacht veel langer mee te gaan dan mensen. De zekerheid dat gebouwen langer blijven bestaan dan wijzelf, stelt ons in staat een eigen leven te leiden. Gebouwen beschutten het leven doordat ze een collectief tijdsbesef, een vorm van culturele synchronisatie in stand houden. Gebouwen vormen een geruststellend stabiele getuige van al wat wij doen door langer dan ons te blijven bestaan en zich langzamer te ontwikkelen. Dit besef dat onze gebouwen onze getuigen zijn, berust op een soort verwantschap tussen lichaam en bouwwerk. Niet alleen moeten gebouwen lichamen beschermen en langer dan lichamen blijven bestaan, ze moeten ook zelf een soort lichaam zijn: een surrogaat lichaam, een superlichaam met een gezicht, een voorgevel die naar ons kijkt. We gebruiken gebouwen om een beeld te construeren van hoe wij het lichaam zouden willen zien. Als gevolg hiervan wordt aan gebouwen een aanzienlijke representationele kracht toegeschreven. Deze kracht is terug te vinden in de alledaagse notie dat de plek waar je woont jou blijft representeren, ook als je je erin verborgen houdt, afwezig bent, slaapt of dood bent. Net als kleding roept je gebouw een soort stabiel beeld op, wat je verder ook doet of voelt.
Terroristen weten dit, hebben dat altijd al geweten. Ze spelen met deze basale fantasieën over architectuur en brengen even vaak verwondingen toe aan gebouwen als aan mensen. Beschadigde gebouwen staan voor beschadigde lichamen. En het is deze symboliek die telt. Bij terrorisme gaat het niet om mensen vermoorden, maar om het verspreiden van doodsangst door het oproepen van schrikbarende beelden. Er wordt op specifieke plekken gemikt om een algeheel onbehagen te veroorzaken. Als jij je kunt identificeren met het doelwit, worden je eigen gebouwen ook onveilig en loopt ieder lichaam gevaar. Dit tactische gebruik van beelden van aangerande gebouwen speelt helemaal in op het representatieve vermogen van gebouwen waarvoor architecten zich al millennia hebben ingezet. Wat dat betreft heeft de terrorist dezelfde expertise als de architect. De terrorist mobiliseert de hele psychopathologie van angsten die schuilgaat achter de obsessie met efficiëntie, comfort en plezier van de architect.
Menselijkheid van gebouwen
De aanval op de torens vormde hiervan een extreem, maar klassiek voorbeeld. Wat er uniek aan was, was de omvang van het publiek en als gevolg daarvan de omvang van de dreiging. Het was symptomatisch dat de verklaring op video van de bouwkundig ingenieur Osama bin Laden sprak van het raken van de ‘zwakste plekken’ van Amerika, zijn ‘grootste gebouwen’, en niet over de mensen in die gebouwen. De eigenlijke bedreiging is gericht op de architectuur, of liever gezegd op een architectuur die staat voor een veel grotere populatie dan de daadwerkelijke bewoners en gebruikers ervan. De gebouwen die onder vuur lagen, staan op een klassieke manier voor de lichamen van een mondiale achterban en nemen de menselijkheid over van iedereen die toezag. Keer op keer worden de gebouwen beschreven in de termen die gangbaar zijn voor mensen die pijn lijden. Als men rouwt om de personen die zijn omgekomen, rouwt men ook om de gebouwen zelf. In alle geïmproviseerde herdenkingen figureren de façades van de gebouwen even prominent als de gezichten van de slachtoffers. De gebouwen zijn slachtoffer geworden en daardoor maken ze van iedereen die hun leed ziet op hun beurt ook slachtoffers.
Als er in de alledaagse cultuur al een onbewust verband wordt gelegd tussen lichaam en gebouw, wordt het pas echt schrikbarend als die verwarring zich letterlijk manifesteert. Wat het spektakel van 11 september 2001 zo verbijsterend maakte, was dat er gelijktijdig zowel lichamen en gebouwen als het onderscheid tussen die twee werden vernietigd. ‘Hij werd deel van het gebouw toen dat omlaag kwam’, jammerde een radeloze ouder. De gebouwen werden moorddadige liften die met dezelfde snelheid omlaag stortten als elk vrij vallend lichaam. Geen enkele weerstand: een 415 meter hoog bouwwerk werd in tien seconden samengeperst tot een 20 meter hoge ruïne, er werd een energieniveau bereikt dat vergelijkbaar is met een kernexplosie of een vulkaanuitbarsting. Gebouwen en lichamen werden in één klap samengeperst tot een ongelooflijk dichte massa of met de wind verspreid. Als aandenken ontvingen familieleden kleine doosjes stof. De lichamen zelf gingen grotendeels verloren en zelfs het aantal slachtoffers blijft een mysterie. De paar lichamen die zijn gevonden, zijn buiten beeld gehouden. Ondanks alle intensieve en eindeloze media-aandacht zijn er geen lichamen in beeld gekomen. Geen gebroken, bloedbesmeurde, verbrande of uiteengerukte mensen. Alleen de wanhopige val van degenen die liever sprongen en de geschokte, met stof bedekte lichamen van de overlevenden. Miljoenen stroomden naar het stadscentrum om te komen kijken, deels vanuit de voyeuristische drang een gigantisch ongeluk met eigen ogen te zien, en deels als de liefhebbende familieleden van de gebouwen zelf, die het lichaam van de bouwwerken echt zelf moesten zien om hun verlies te kunnen verwerken.
Onbegrepen populariteit
De torens waren vanzelfsprekend ontworpen om zo’n mondiaal publiek te genereren. Het was de uitgesproken bedoeling om boven de stad uit te rijzen, aan het eind van het eiland dat uitzag op Europa, en aldus de aandacht van de wereld te trekken. Hetgeen ook gebeurde. De gebouwen waren pontificaal te zien op miljarden beelden. Er zijn meer ansichtkaarten van de torens verzonden dan van enig ander gebouw ter wereld. En terwijl er continu zovelen tegen opkeken, keken ze tegelijkertijd terug. Of we nu door de straten van Manhattan dwaalden of tv keken in een woonkamer aan de andere kant van de wereld, de Twin Towers hielden ons in de gaten. Maar nu heerst er tastbaar een gevoel op het eiland dat we een cruciale getuige hebben verloren die je altijd overal kon zien: een architectuur van de zichtbaarheid, die werd begrepen en gewaardeerd.
Architecten hebben die populariteit nooit goed begrepen en worden nu dus gevraagd om over gebouwen te praten die ze nooit in hun hart hebben gesloten. Sterker nog, de Twin Towers werden genadeloos neergesabeld door architectuurcritici, en dan met name door degenen die zich sterk maakten voor een zogeheten ‘postmoderne’ architectuur. Voor hen personifieerden de torens de onmenselijkheid van de moderne architectuur. Ironisch genoeg spraken de critici uit naam van het gesundenes Volksempfinden. Maar als puntje bij paaltje komt, hebben gewone mensen sterkere gevoelens over gebouwen dan architecten, naar wie sowieso amper wordt geluisterd. De Twin Towers speelden een veel grotere rol in het leven van alledag dan in de discussie van architecten. Op een bepaald niveau heeft er een buitengewoon sterke identificatie met de gebouwen plaatsgevonden die alle verwachtingen verre overtrof, zowel van de promotors van het project als van de architectuurcritici. Juist omdat de brute schaal van de gebouwen niet in de omgeving paste, pasten ze perfect in een stad vol vluchtelingen en buitenbeentjes – een stad die zowel het meest als het minst Amerikaans is.
De centrale symbolische rol van het World Trade Center, de grondslag van zowel het ontwerp als de verwoesting ervan, was dat het de mondiale markt representeerde. Vreemd genoeg stonden supermassieve, superzichtbare, superplaatsgebonden gebouwen symbool voor de gedematerialiseerde, onzichtbare, plaatsloze markt. De architectuur was wat dat betreft in feite niet meer dan een rudimentair symbolisch systeem, zoals bleek toen de markten al een paar dagen na de aanslag weer opengingen. Zogenaamd kwetsbare digitale structuren hebben allang de soliditeit verworven die vroeger aan gebouwen werd toegeschreven. Aangezien de rol van de architectuur als onze belangrijkste getuige en als opslagplaats voor het collectieve geheugen is overgenomen door de elektronica, hebben gebouwen een nieuwe rol kunnen aannemen. Het is geen toeval dat degenen die in de jaren vijftig en zestig de architecturale rol van de elektronica beschreven, ook degenen waren die eisten dat gebouwen even vervangbaar zouden worden als wasmachines en broodroosters. Toch bewijst de traumatische reactie op het verlies van de torens, en niet alleen op het verschrikkelijke verlies aan levens, dat zelfs het rudimentaire systeem van de architectuur meer kracht bezat dan men voor mogelijk had gehouden. Desondanks is het vooralsnog onduidelijk wat het inhoudt om in een elektronisch tijdperk een gebouw te bedreigen.
Representatie
We moeten nader bestuderen hoe dit schijnbaar achterhaalde systeem van representatie nu precies functioneert. Het World Trade Center was een extreme variant van de generieke naoorlogse bedrijfstorenflat. Het bedrijfsgebouw vormt het vaststaande, zichtbare gezicht van een organisatie die flexibel, onzichtbaar en carnivoor is. In het algemeen wordt er geen bedrijfslogo op het gebouw bevestigd. Het ontbreken van een letterlijk teken wordt echter een teken voor het feit dat het bedrijf niet meer is dan een open netwerk. Aan het Amerikaanse woord voor bedrijf, ‘corporation’, is al te zien dat het bedrijf een abstract lichaam, een corpus is dat is opgebouwd uit vele lichamen die onderling verbonden zijn tot één enkel organisme. Het is een onzichtbaar, collectief netwerk dat op een specifieke plek zichtbaar gemaakt kan worden door een bouwwerk.
De glanzend glazen vliesgevel is geen etalage die de werknemers binnen te zien geeft. Overdag is het interieur van het gebouw als gevolg van de weerspiegelingen meestal een mysterie. Als ’s nachts het interieur zichtbaar wordt, krijg je door het verticale rooster van de façade het horizontale rooster van tl-balken te zien – de werknemers zie je niet. De eeuwig brandende tl-balken zijn belangrijker dan de werknemers. Het is geen toeval dat het bedrijfsgebouw een van de eerste typen gebouwen is die bijna altijd ’s nachts worden gefotografeerd voor architectuurpublicaties. Natuurlijk zijn er daarbinnen ruimten die door werknemers worden gebruikt, en daar wordt een heel scala aan tactische ontwerpstrategieën op losgelaten, maar dit blijft ondergeschikt aan de polemiek van het scherm buiten. Op grondniveau is de façade tot een absoluut minimum teruggebracht en de glazen wanden die logisch voortkomen uit deze strategie, nodigen het oog en het lichaam uit binnen te komen. Maar daar is als enige een gigantische lobby te zien, die meestal een voortzetting vormt van de structuur en materialen van het plein voor de deur. Wat een binnenkant belooft te zijn, blijkt in werkelijkheid een buitenkant, eeuwig badend in kunstmatig zonlicht en bewoond door slechts een liftkoker. De liften zijn de enige substantiële voorwerpen. Als je omhoog kijkt, zie je niet de massieve onderbuik van het grootste volume in het gebouw maar een kunstmatige hemel, een doorlopend, fel glanzend, horizontaal oppervlak, dat zelfs de vorm verhult van de tl-balken die het verlichten. De verborgen kantooretages boven hebben hetzelfde soort wonderlijke, gloeiende plafonds. En zelfs als de tl-balken aparte armaturen hebben op een ondoorzichtig oppervlak, dan nog wonen de werknemers niet in deze ruimten, maar zitten ze verspreid in een ‘landschap’. Strikt gesproken heeft het bedrijfsgebouw geen interieur.
Neutraal schild
De Twin Towers gingen hier het verst in: ze perfectioneerden de logica van het ‘neutrale’ schild, rekten het uit tot in de wolken en vormden zo een illustratie van de cultuur van het onzichtbare lichaam. De torens waren tegelijkertijd potdicht en poreus, intimiderend zwaar en vederlicht. De twee torens waren ’s nachts het mooist, wanneer er een ingewikkeld patroon van lichtjes boven de stad zweefde, omkaderd door foyers en observatieruimten die pikdonkere stroken vormden. De lichtjes suggereerden dat het gebouw in gebruik was, zij het niet door mensen. In de eerste tien jaar bleven de 23.000 tl-balken altijd aan, dag in dag uit. Tot 1982 waren er zelfs geen lichtknopjes in de toren, maar vervolgens begonnen de eindeloos gestapelde lagen van licht uiteen te vallen in ongrijpbare en verleidelijke figuren.
De twee geheimzinnige, Gargantueske schachten vormden een verbinding tussen een enorme, drukke, horizontale plak met winkels en restaurants ondergronds en al even drukke platforms met een panorama, restaurants en cafés hoog in de lucht. Onder het winkelniveau lag een fysieke communicatie-hub vanwaar meerdere ondergrondse treinsystemen uitwaaierden. Boven het uitzichtniveau lag een elektronische communicatie-hub van waaruit televisie, telefoon, microgolven en radio werden uitgezonden. Het gevolg was een opeenpakking van lichamen in de consumptieruimten onder en boven, omkaderd door communicatienetwerken die het gebouw verbonden met de stad en de rest van de planeet. In de productieruimten daar tussenin, in de twee schachten, was geen lichaam te zien. Toeristen schoten erdoorheen in de grootste en snelste liften van Amerika, waarbij ze zich opeens bewust werden van de binnenkant van hun eigen lichaam, maar geen moment dachten aan de ruimten en de mensen om hen heen.
Zelfs de werknemers kwamen niet gewoon binnen en hadden al evenmin een besef van de ruimte. Ze gingen in het isolement van hun expresliften naar aparte skylobby’s – lobby’s op hooggelegen verdiepingen – van waaruit ze kleinere liften naar hun respectievelijke verdiepingen namen. Toch ontbrak opvallend genoeg het beeld van het interieur van de werkplekken in de vloedgolf van ontelbare beelden die uit liefde voor de gebouwen werd ontketend als reactie op het ongelooflijke feit van hun verdwijning.
Het ontwerp van deze verborgen plekken werd tijdens de bouw van de torens in de pers geroemd als hoogst innovatief. Door de uitvinding van skylobby’s was er een ongehoorde hoeveelheid bruikbaar vloeroppervlak ter beschikking gekomen. Alle structurele elementen waren geconcentreerd in één compacte kring van enorme zuilen rond de liftschacht en in een tweede dichte kring rond de buitenkant van het gebouw, en daardoor stonden er in de werkruimte zelf geen pilaren. De enorme aantallen huurders konden hun plek geheel naar eigen inzicht inrichten, te beginnen bij een verlichtingspatroon naar eigen keus, waardoor de etages alle een eigen, iets andere relatie kregen tot de beroemde façade van de torens, maar deze heterogeniteit werd gemaskeerd door de geünifieerde buitenkant en alleen subtiel gesuggereerd door de verschillende intensiteiten en ritmen van de lichtpatronen ’s nachts.
De torens hadden geen voor-, achter- en zijkant. Alle kanten waren hetzelfde. Bovendien hadden de torens geen diepte. Je kon ze nooit in perspectief zien. De kleinere gebouwen eromheen ontnamen het zicht omhoog en de winderige plaza boven op het winkelcentrum was bijna altijd uitgestorven. De gebouwen dienden van een zekere afstand te worden bekeken, puur als façade. Ze waren zo gemaakt dat ze plat leken, zoals blijkt uit de oorspronkelijke tekeningen van de architect. Het cliché dat wereldwijd in het bewustzijn gegrift staat, is dat de torens er vanuit elke hoek uitzagen als twee naast elkaar geplaatste, naadloze schermen: beide een glanzende combinatie van aluminium en glas, subtiel gemoduleerd door de op de gotiek en Arabische bouwstijl geïnspireerde details van de verhoogde verdiepingen onder en boven aan de torens, en de zelfs nog subtielere verandering van dimensies door de twee skylobby’s. De naar elkaar toe buigende kolommen aan de voet van de torens waren van enige afstand nog wel te zien, maar de details op de hogergelegen verdiepingen waren zo bescheiden dat alleen het overall effect ervan zichtbaar was, en dan nog. Doordat het glas in de inspringende delen tussen de gigantische kolommen geplaatst was, veranderden de kleuren en de textuur van de buitenzijden voortdurend afhankelijk van je gezichtspunt of de zon – een minimalistische constructie waarmee een maximaal scala aan effecten werd bereikt.
De Twin Towers vormden een zuiver, onbewoond beeld dat boven de stad zweefde, een beeld dat altijd boven de horizon hing – iets subliems en buitensporigs dat ons begrip te boven ging. Het ondoorgrondelijke trauma van hun vernietiging vergrootte hun geheim alleen maar. En toen het stof na de seismische instorting eindelijk was gaan liggen, werden grote stukken van de façade zichtbaar die onwaarschijnlijk genoeg overeind waren blijven staan. De hele geest van het gebouw lag ingekapseld in een eenzaam, poreus scherm waarvan de subtiel verbonden curves misschien wel het beroemdste architectonische detail uit de geschiedenis zijn geworden.
Haast
De uiteindelijke sloop van dit aangrijpend koppige scherm was op zich dom en pijnlijk. Er bestond een obscene haast om alle sporen te verwijderen en opnieuw te gaan bouwen, in een wanhopige poging het gat in zo veel harten en bankrekeningen te vullen. Maar de vraag hoe bijna 840.000 vierkante meter kantoorruimte moet worden vervangen doet niet ter zake. Waar het om gaat is hoe de meer dan 180.000 vierkante meter van de façade kan worden vervangen – die gigantische, unheimisch verdubbelde schermen. Toen de gevels omlaag kwamen, verschenen de gezichten van de onzichtbare gebruikers die waren verdwenen; ze vulden de verticale oppervlakken van de stad op aangeplakte fotokopieën en bedekten het oppervlak van televisies, computers en dagbladen over de gehele wereld. Ze vormden een nieuw soort façade, een verstrooid beeld van diversiteit in plaats van dat ene, monolithische scherm. De overlevenden daarentegen waren met stof bedekt en alle onderlinge verschillen gingen schuil onder een uniforme coating, gemaskeerd door een dun laagje gebouw. De oude façade was nog actief. Het waren nu juist degenen die verdwenen waren, degenen die niet waren beschermd door de gebouwen, die plotseling zichtbaar werden als gevolg van hun huiveringwekkende verdwijning. Mocht de architectuur weer oprijzen, dan zal ze vermoedelijk precies dit inzicht onderschoffelen. Er zal een nieuw beschermingsschild worden opgetrokken tussen ons en onze angsten.
Dit nieuwe schild zal ons isoleren van wat er gebeurd is – zelfs, ja misschien wel speciaal dat deel dat gewijd is aan ‘herdenken’. Een stad die in staat was om zo volledig te vergeten dat een derde deel ervan in 1776 werd vernietigd door een moordende brand in het centrum – ‘een gruweltafereel dat elke beschrijving tart’, heette het in de krant die dag – en die vergat dat een kwart ervan (zevenhonderd gebouwen) werd verwoest door nog zo’n brand in 1835, zal zeer wel in staat zijn ook het meest recente trauma razendsnel te vergeten. Het hele financiële district dat het toneel was van de laatste ramp, was zelf gebouwd in het jaar na de brand van 1835 – de eerste architect werd al een dag na het blussen van de branden ingehuurd. Een stad die geheel gemodelleerd is door hebzucht zal ongetwijfeld methoden ontdekken om snel winst te kunnen halen uit haar leed. De noodzaak tot herinneren en de onderlinge solidariteit zullen als smoesjes dienen om allerlei vormen van lokale en mondiale herstructurering door te voeren. Nieuwe vormen van bouwen en sociale controle zijn gemakkelijk door te drukken indien ze worden gepresenteerd als goed voor de genezing van de fysieke en psychologische wonden.
Veiligheid als illusie
Voordat er over herbouw wordt gesproken, zou met het nodige geduld moeten worden geprobeerd om te begrijpen wat er nu eigenlijk precies is voorgevallen. Uiteindelijk vond er méér plaats dan alleen maar het tragische verlies waarnaar we kunnen verwijzen, hoe dramatisch en duidelijk dat ook lijkt. Het kostte geen enkele moeite naar de Twin Towers en het feit van hun instorting te verwijzen. Maar te midden van de voor de hand liggende ellende ligt een trauma van een andere orde, dat zelfs nog tartender is omdat wij het niet onder ogen willen zien, laat staan het willen begrijpen. Wat uiteindelijk werkelijk schrikaanjagend blijkt te zijn, is nu juist wat er al was. Het collectieve gevoel dat wil dat op die ochtend alles anders is geworden, heeft misschien meer te maken met het gegeven dat bepaalde aspecten van het leven nu niet langer te onderdrukken zijn. Dingen waar we een hele tijd mee hebben geleefd zijn opeens onthutsend zichtbaar gemaakt. Het alledaagse idee dat architectuur het gevaar buiten de deur houdt, is ontmaskerd als een fabeltje. Geweld is nooit ver weg. Veiligheid is nooit meer dan een kwetsbare illusie. Gebouwen zijn veel vreemder dan we willen zien. Ze zijn direct verbonden met de economie van het geweld en vormen niet alleen maar een bescherming daartegen.
Toen het ontwerp van de torens in 1964 voor het eerst werd gepresenteerd, zei de architect dat ze een fysieke verschijningsvorm zouden zijn van ‘de verbinding tussen wereldhandel en wereldvrede’. Dachten we echt dat de zich ontplooiende krachten van de globalisering zo onschuldig waren en dat de architectuur die onschuld kon belichamen? Of deden we alleen alsof? De rationalisaties voor de herbouw zijn al even naïef – en even succesrijk. Opnieuw zal het zakendoen los lijken te staan van de herinnering en zal er een heldere, profylactische grens worden getrokken tussen ‘herdenkingsruimten’ en de gewone geïndustrialiseerde ruimten voor kantoren, winkels en woningen. We zullen weer doen alsof we de bouwwerken die we bewonen en bekijken wonderwel begrijpen. De enige uitdaging is welke vorm van collectieve ontkenning we zullen kiezen. En door onze angsten zo serieus te begraven, begraven we ook onze genoegens. De architectuur zal weer worden geneutraliseerd en naar de achtergrond worden gedrongen.
Architecten zijn in werkelijkheid een en al twijfel en komen daar ook voor uit als ze hun ontwerpen in eigen kring gloedvol bespreken, maar en public worden ze geacht vertrouwen uit te stralen. Als onze gebouwen ons vertrouwen moeten geven, moeten de makers ervan dat vertrouwen blijkbaar belichamen. Maar als architecten niet in staat zijn hun twijfels over de status van gebouwen in het publieke debat in te brengen, kunnen ze geen bijdrage leveren aan de dringend noodzakelijke discussie over de intieme en complexe relatie tussen architectuur en trauma. Dan kunnen ze alleen maar nog meer beelden van veiligheid, comfort en de goede oude tijd voortbrengen. Het is helaas nu eenmaal zo dat de traditionele architect eerder macht ontleent aan dat soort gebeurtenissen, dan dat hij erdoor van zijn voetstuk wordt gestoten. Het werk van architecten bestaat uit het beheersen van bedreigingen. Hoe graag ze soms ook over experimenten mogen praten, in feite dwepen ze met de mythologie van de psychologische verwerking en afronding. Maar de enige architectuur die de dreiging van de terrorist zou kunnen weerstaan, is de architectuur die de kwetsbaarheid en vreemdheid van onze lichamen en identiteiten al in zich opneemt, een architectuur van de breekbaarheid, gevoeligheid en perversiteit. Als architecten dit weigeren te zien, zullen ze onopzettelijk verdergaan met het bouwen van de volgende doelwitten.
Vertaling Arjen Mulder en Maaike Post
Noot: Deze tekst is een speciaal voor Open aangepaste versie van een tekst die eerder verscheen in After the World Trade Center: Rethinking New York City, Michael Sorkin and Sharon Zukin (editors), Routledge 2002
Stichting Kunst en Openbare Ruimte






