Lezing Regionale identiteit, Jan Kolen
Dames en heren,
In 1957 publiceerden de psychiaters Corbett Thigpen en Hervey Checkley het boek Three Faces of Eve, waarin zij een inmiddels beroemde meervoudige persoonlijkheid introduceren. Hoofdpersoon is Eve, die afwisselend twee identiteiten laat zien, die van Eve Black en Eve White. Tijdens de psychotherapie komt echter nog een derde persoonlijkheid tevoorschijn, Jane, die geleidelijk de twee andere uit het bewustzijn verdringt. We kennen allemaal wel verhalen over dergelijke meervoudige persoonlijkheden, het ene nog onwaarschijnlijker en opzienbarender dan het andere, waaruit blijkt dat het ik-besef van sommige mensen onnavolgbaar is versplinterd. Hun ervaringen zijn ondergebracht in verschillende deelpersoonlijkheden, vaak met een eigen geheugen. Het idee dat het ik-besef van deze personen is versplinterd wordt overigens niet vanzelfsprekend gedeeld door de patiënten zelf. Veelal weet de ene deelpersoonlijkheid niet van het bestaan van de andere, waarmee de notie van versplintering en meervoudigheid iets krijgen van een outsider-perspectief. Overigens kan het in zekere zin nog erger. Er is bijvoorbeeld ook nog DPD, Depersonalisation Disorder, waarbij de patiënt lijdt aan persoonlijkheidsverlies in plaats van identiteitsvermenigvuldiging.
We zijn gewaarschuwd: het identiteitsvraagstuk is niet eenvoudig. En het wordt er niet eenvoudiger op als we het begrip ‘identiteit’ toepassen op groepen of gemeenschappen in plaats van personen en persoonlijkheden. We hoeven daarvoor maar te kijken naar de identiteitsconstructies uit het verleden. De Bataven, bijvoorbeeld, worden in de Romeinse bronnen, zoals Tacitus’ Germania, voorgesteld als een min of meer homogene groep met een onderscheidbare identiteit. De antieke beschrijving van de Bataven kwam de latere Hollanders niet slecht uit. Ze vormde een bruikbare substantie voor allerlei historische legitimaties voor de republiek. Want in de krijgshaftigheid en het vrijheidsstreven van de Bataven was toch ontegenzeggelijk de grondtrek herkenbaar van de typisch Hollandse volksaard? Maar de Bataven zagen zichzelf helemaal niet per se als Bataven. Ze kregen hun eenheid en zelfbeeld opgedrongen door de Romeinen en de Romeinse geschiedschrijvers, en bestonden feitelijk uit tal van kleinere etnische groepen die waarschijnlijk in bepaalde gevallen wel en in andere weer niet als verwant werden beschouwd. Ook de identiteit van groepen is, zo weten we allemaal eigenlijk al, niet vanzelfsprekend.
Dat het in het heden niet anders is, blijkt wel uit de bijdrage van Rik Herngreen in het mooie boek over regionale identiteit dat vandaag is gepresenteerd. Hij opent zijn verhaal met een veelzeggende anekdote. Tijdens een bijeenkomst over regionale identiteit in Twente werd het podium bestegen door een als streekeigen plattelandsaristocraat geklede volkstribuun die, aldus Herngreen, blijkbaar de intentie had om de aanwezigen eens goed in te prenten wat Twentse identiteit is en wie zich daarmee wel mocht bemoeien en wie niet. Wat de man de zaal voorschotelde was een karikatuur - een historisch, cultureel en politiek aanvechtbaar zelfbeeld waarin midwinterhoorns en wolfsdaken om voorrang vochten. Maar, zo vervolgt Herngreen, alles wat fysiek of immaterieel in een streek aanwezig is of er verband mee houdt, komt in principe in aanmerking als identiteitsingrediënt. Aalfuiken, bouwstijlen, verhalen, dromen, stenen, edellieden, echtelieden, voorkanten, schilderijen, abstracties, achterkanten, ansichtkaarten, immigranten, en zo gaat zijn opsomming nog enige tijd door. Lang niet alle mogelijke ingrediënten komen ook daadwerkelijk in de identiteitspan terecht, maar wat er niet in terecht komt is toch van grote culturele betekenis, concludeert Herngreen. Naar mijn smaak is dat een belangrijke constatering, die tegelijk de neteligheid van het identiteitsvraagstuk onderstreept.
Met dit voorbeeld wordt nóg iets duidelijk, namelijk dat het identiteitsvraagstuk er evenmin eenvoudiger op wordt als we het begrip betrekken op onze leefruimte, op het landschap, de stad, de regio en de talloze onderscheidbare plekken daarbinnen. En als we ten slotte ook nog de herinnering, historische ervaring en geschiedenis in het verhaal betrekken, valt het vraagstuk nog weer wat moeilijker te begrenzen. In ruimtelijke zin lijkt de constructie van historische identiteiten namelijk een bijna vloeibaar karakter te krijgen. Dat is althans de conclusie van de Amerikaanse cultuurhistorica Alison Landsberg, die er onlangs een heel boek aan wijdde. In dat boek, met de tot de verbeelding sprekende titel Prosthetic Memory, dat ik hier voor het gemak vertaal als ‘De Geheugenprothese’, maakt ze duidelijk dat veel herinneringen en noties van het verleden in onze tijd een transporteerbaar karakter hebben gekregen. Ontwikkelingen in de sfeer van de massamedia, de informatietechnologie en museale technieken leiden er toe dat historische verhalen en beelden die voorheen nog sterk gebonden waren aan plekken, steden en regio’s, nu snel en gemakkelijk kunnen circuleren binnen de samenleving. Door het gebruik van filmbeelden, animaties en levensechte ensceneringen, zoals living history, wordt de historische ervaring ogenschijnlijk steeds ‘echter’, en krijgt deze haast trekken van een levensechte ervaring of zelfs een persoonlijke herinnering.
Als voorbeeld noemt Landsberg de zogenaamde ‘Holocaust-experience’. Films als Schindler’s List, de nieuwe Holocaust musea, zoals het US Holocaust Memorial Museum, maar ook de nieuwe presentaties en reconstructies op de voormalige concentratiekampen zelf, zoals Auschwitz, halen de toeschouwer binnen in een wereld van emoties en geweld, waar eerdere museale presentaties vaak een meer afstandelijke houding opriepen. In Nederland worden de concentratiekampen, zoals Vught, getransformeerd in zogenaamde herinneringscentra, aangekleed met zowel oude als nieuwe objecten, authentieke gebouwen maar ook kersverse reconstructies, ooggetuigenverslagen en eigentijdse beelden. Deze plekken zijn vanzelfsprekend al lang losgeweekt uit de ruimtelijke infrastructuur die in de Tweede Wereldoorlog was uitgedacht voor de deportatie van joden, verzetslieden en andere groepen. Hun ruimtelijke context is in de huidige tijd ingrijpend veranderd, en de genoemde herinneringsplekken hebben inmiddels een plaats gekregen in nieuwe geografische structuren waarin de bewegingen van toeristen, en niet te vergeten het virtuele, wereldwijde netwerk van museale websites, het meest op de voorgrond treden.
Het erfgoed functioneert in de hedendaagse netwerkruimte vaak als een soort geheugenprothese, die individuen en groepen in staat stellen zich vergaand te identificeren met geografisch verre en historisch diepe geschiedenissen, met een verleden waaraan ze zelf part noch deel hebben gehad.
Het begrip ‘identiteit’ is dus misschien wel een charmant en tot de verbeelding sprekend, maar tegelijk ook een wat kleverig en tamelijk ondoorgrondelijk begrip. Dat is ook de reden dat ik het gebruik ervan zélf tot op heden angstvallig heb vermeden, en dit is dan ook de eerste en misschien wel de laatste keer dat ik me aan een analyse van ruimtelijke of regionale identiteit waag. Aan het gebruik van het identiteitsbegrip is nóg een bezwaar verbonden. In het debat over de culturele betekenis van onze leefruimte is ‘identiteit’ misschien wel het meest gebruikte, maar ook het minst gedefinieerde begrip. Het fungeert vaak als containerconcept: alle plekken hebben natuurlijk wel ‘iets’, en dat ‘iets’ is altijd tot op zekere hoogte uniek en heeft ook altijd wel weer iets met het verleden te maken, en met het begrip identiteit hoeven we dat allemaal niet diepgravend te onderzoeken of uit te leggen en kunnen we dat gegeven tóch gemakkelijk overbrengen, zo is de heersende gedachte.
Toch is het van belang om het begrip overeind te houden. In het ruimtelijk debat hebben we dit soort metaforen namelijk nodig om te laten zien dat het landschap, de stad en de regio geen abstracte grootheden zijn, geen ontzielde objecten van een rationele planning en besluitvorming, maar dat ze deel uitmaken van de bezielde leefwereld van mensen. Overigens staat het identiteitsbegrip in dat verband niet op zich. In de landschapsgeschiedenis en het ruimtelijk ontwerp wordt sinds enkele jaren gesproken van de biografie van het landschap en de plek, uit de architectuurgeschiedenis kennen we al lange tijd de genius loci –de ziel van de plek- en de onbedwingbare neiging om te spreken over de persoonlijkheid van regio’s –de personnalité géographique- is in de geografie zelfs nog ouder. Het gebruik van het identiteitsbegrip past dus in een langere traditie, en in de huidige discussie heeft het tevens een concrete functie.
Willen we met het identiteitsvraagstuk iets verder komen, dan moeten we het natuurlijk wel diepgravender onderzoeken. En dat is nu, denk ik, het sterke punt van het vandaag gepresenteerde boek. Voor het eerst wordt nu eens een poging gedaan om systematisch over het begrip na te denken en de bruikbaarheid ervan te onderzoeken voor de ruimtelijke vormgeving. Daarmee is het meteen ook, althans wat mij betreft, geschikte lesstof voor de ontwerp- en erfgoedopleidingen. Ik zal hier verder geen poging doen om het boek in detail te bespreken. De inhoud, vormgeving en kleur van het boek zijn uitdagend genoeg en er zijn denk ik geen extra prikkels nodig om het ter hand te nemen. Ik zal in het vervolg van mijn verhaal dan ook vooral proberen zélf een bijdrage te leveren aan de discussie, door een iets andere route te volgen dan de auteurs van het boek.
Ik neem twee vragen als vertrekpunt. Maar in zeker opzicht gaat het eerder om misvattingen dan om vragen. Ten eerste bestaat om de een of andere reden het idee dat de identiteit van regio’s en plekken synoniem is met continuïteit en stabiliteit, met datgene wat in de loop der tijd onveranderd en daardoor in sterke mate herkenbaar is gebleven. Dat we identiteit moeten associëren met trage en duurzame zaken die ons ten minste nog enig ruimtelijk houvast verschaffen in ons hectische bestaan en onze dynamische leefwereld. Die associatie met traagheid, duurzaamheid en stabiliteit is echter problematisch, om het maar zwak uit te drukken, en verdient meer reflectie op het identiteitsbegrip dan tot dusverre het geval is geweest. Laten we, om te beginnen, eens kijken naar enkele voorbeelden. Het eerste voorbeeld zoek ik ver van huis, en ontleen ik aan een recente etnografie van een niet-westerse samenleving. Dat klinkt alsof dit voorbeeld er voor een diagnose van het Nederlandse landschap er weinig toe doet, maar later zal blijken dat de etnografie ons hier wel degelijk op een ander, bruikbaar spoor kan zetten. Er is nóg wel een aardige reden om een antropologische casus aan te halen. In zijn epiloog bij de stukken over ‘regionale identiteit’ oppert Sjoerd Cusveller de interessante gedachte, dat kunstenaars het vermogen hebben ons Nederlandse landschap te benaderen als creatieve antropologen.
In het voorbeeld dat ik nu bespreek zien we het resultaat van zo’n antropologisch onderzoek naar de constructie van identiteiten, niet alleen in sociale maar ook in ruimtelijke zin, en bovendien met bijzondere aandacht voor de rol van kunst in dat sociale en ruimtelijke proces.
Voor het voorbeeld gaan we naar New Ireland, een eiland ten noorden van Papua Nieuw-Guinea. De gemeenschappen van New Ireland zijn in de etnografie met name bekend vanwege hun houten sculpturen, de zogenaamde Malanggan, waaronder uitbundig versierde en beschilderde grafmonumenten. Met die sculpturen is iets bijzonders aan de hand. Het vergt namelijk aanzienlijke investeringen om ze te maken, en toch is ze vaak maar een kort leven beschoren. In het geval van grafsculpturen wordt de opdracht door familie van de overledene gegeven aan een gespecialiseerde houtsnijder. De sculptuur wordt voorzien van combinaties van motieven, waarover de betreffende familie de exclusieve rechten bezitten, en die aan de houtsnijder bekend worden gemaakt door een erfgenaam of aan hem worden geopenbaard in een droom. Vervolgens gaat de houtsnijder in alle beslotenheid aan de slag. Als de grafsculptuur klaar is, wordt het resultaat gedurende korte tijd getoond aan, of eigenlijk onthuld voor de gemeenschap. Die gebeurtenis, gaat soms gepaard met heftige emoties en gevoelens van herkenning. Voor de familie is de sculptuur namelijk geen uniek object, maar een soort reïncarnatie van de Malanggan die sinds mensenheugenis centraal staat in haar begrafenisrituelen. Het is dus niet zozeer de enkelvoudige fysieke verschijningsvorm, maar vooral het duurzame beeld dat continuïteit garandeert. Na de onthulling wordt de sculptuur op het graf geplaatst, waar het nog korte tijd blijft staan. In die tijd slaat de sculptuur de steeds heter wordende levenskracht van de overledene in zich op. De benaming voor de grafsculptuur, tak, hetgeen huid betekent,onderstreept de rol van de sculptuur bij dit proces. Na verloop van tijd wordt het monument verwijderd en opzettelijk vernietigd, om de levenskracht opnieuw te kunnen kanaliseren. Die vernietiging kan geschieden op verschillende manieren. Soms laat men de sculptuur wegrotten in het bos, maar ze kan ook worden verbrand of verkocht aan een westerse kunsthandelaar. Dat laatste moet ons natuurlijk te denken geven, maar dat ter zijde.
Wat heeft dit alles nu te maken met het landschap en de ruimtelijke orde van deze gemeenschappen, en met de constructie van identiteiten? Om te beginnen blijft dit transformatieproces niet beperkt tot de grafmonumenten, maar strekt het zich geleidelijk uit over het omringende landschap. Nog lange tijd na de begrafenis worden sporen in het landschap die geassocieerd worden met de overledene uitgewist, en daarmee uit het collectieve geheugen verwijderd. Dat kan soms radicale gevolgen hebben. Gebouwen, en nu en dan ook het woonhuis van de overledene, worden verbrand of afgebroken, bomen worden omgehakt en zelfs erven, tuinen en akkers worden soms vernietigd of opzettelijk verwaarloosd. Op de verlaten terreinen krijgt het tropische regenbos de kans zich te herstellen. Het is overigens veelzeggend dat het woord tak, ‘huid’ dus, niet alleen wordt gebruikt voor het grafmonument, maar ook voor het cultuurland. Toen de antropologe op wiens verslag ik dit verhaal baseer, Susanne Küchler, een plattegrond wilde tekenen van een dorp en zijn omgeving, werd ze daarbij meewarig gevolgd door de dorpsbewoners. Want waarom zou iemand een toestand willen vastleggen als die bij wijze van spreken over enkele maanden al weer gewijzigd kan zijn?
Met alle kleine en grote transformaties van de leefruimte vervallen op New Ireland ook de bestaande claims op land. In feite wordt de gemeenschap in sociale zin, na het verlies van een gemeenschapslid, herschikt door het landschap te herschikken. Sociale relaties worden in het landschap opnieuw gedefinieerd, identiteiten worden opnieuw en met andere plekken gemarkeerd. We zouden haast kunnen stellen dat het vergeten en vernietigen van plekken in dit geval net zo cruciaal is voor de sociale overlevering en de constructie van identiteiten als het herinneren en duurzaam instandhouden van plekken. En dat staat natuurlijk op gespannen voet met onze eigen, Nederlandse notie van ruimtelijke identiteit.
Hoe sterk de sociale context van het ruimtegebruik op New Ireland ook verschilt van dat in een land als Nederland, toch kan zo’n voorbeeld ons met een andere bril laten kijken naar onze eigen leefruimte. Want verschilt ons ruimtegebruik wel in alle opzichten zo sterk van dit niet-westerse patroon, met name waar het gaat om relatie tussen ruimte, vormgeving en identiteit? Ik denk van niet, en hoewel ik meer dan één lezing nodig heb om dat fatsoenlijk te onderbouwen, zal ik hier toch een vluchtige poging wagen.
Een eerste indicatie dat de relatie tussen identiteit en ruimte ook bij ons dynamischer is dan we zelf vaak veronderstellen, is het Grote Verhaal over het Nederlandse landschap waarmee wij ons zelfbeeld zo graag wensen te voeden. Een verhaal dat we overigens ook te pas en te onpas uitdragen aan de rest van de wereld, bijvoorbeeld middels onze bijdrage aan de Werelderfgoedlijst van Unesco. Dat verhaal verschilt hemelsbreed van de romantische, duurzame relatie tussen landschap en identiteit die Simon Schama zo mooi heeft beschreven in zijn boek Landscape and Memory. Schama laat daarin zien hoe het woud door de eeuwen heen werd voorgesteld als de vanzelfsprekende geboorteplaats van de Germaanse en Duitse psyche, Die psyche was dus het product van een oeroud en onveranderlijk landschappelijk gegeven. Ook uit het zelfbeeld van de Nederlanders valt zo’n archetypisch beeld wel enigszins af te leiden. Maar de Nederlandse samenleving heeft haar identiteit in de afgelopen anderhalve eeuw niet zozeer ontleend aan een statisch beeld van haar habitat, maar juist aan een culturele kwaliteit die per definitie verandering en ruimtelijke dynamiek impliceerde. De identiteit van de Nederlanders werd in het Grote Verhaal over Onszelf niet beschouwd als een afgeleide van de natuurlijke gesteldheid, maar –omgekeerd- het landschap juist als het veranderlijke resultaat van de Nederlandse volksaard. Het vermogen om het landschap zélf te vormen uit dat ondefinieerbare mengsel van water en aarde, en daarbij weerstand te bieden aan de krachten van de natuur, staat aan de basis van het bijna onbegrensde vertrouwen in de maakbaarheid van het Nederlandse territoir. De Nederlandse ondernemingszin, waar Balkenende zo graag en veelvuldig, eigenlijk iets te graag en veelvuldig, aan refereert, valt uit dat beeld natuurlijk niet weg te denken…
Niet alleen het historische verhaal, maar ook onze huidige ordening van de leefruimte, verraadt bij nader inzien weinig van een duurzame verankering van culturele identiteiten in stabiele plekken, landschappen of regionale structuren. Bij één ontwikkeling wil ik in dit verband wat langer stilstaan, omdat ze in het Nederlandse landschap van vandaag zo dominant en bovendien voor een ieder duidelijk zichtbaar en beleefbaar is. Ik doel dan op de verstedelijking en de vorming van grote stedelijke regio’s. Er wordt gebruik gemaakt van uiteenlopende begrippen en metaforen om dit vaak onoverzichtelijke proces aan te duiden: stedelijk weefsel, stedelijke nevel, stedelijk netwerk (of netwerkstad) en de ‘verstrooide’ stad. Ze komen in grote lijnen op hetzelfde neer, en willen duidelijk maken dat de stad zich snel en grootschalig uitbreidt, maar tegelijkertijd iets van de historische karakteristiek van de stad verliest.
Wat ik me de laatste tijd vaak heb afgevraagd, is waarom voor dit toch tamelijk jonge ruimtelijke fenomeen de termen ‘stad’ en ‘stedelijk’ worden gebruikt. Hoeveel transformatie kunnen de begrippen ‘stad’ en ‘stedelijk’ eigenlijk verdragen? En schuilt achter het hardnekkige gebruik ervan geen preoccupatie met de stad en de stedelijke cultuur? Het ligt voor de hand om voor een antwoord op deze vraag eens wat dieper te graven in de stadgeschiedenis, en daarbij telkens de vergelijking aan te gaan met die weefselachtige uitbreiding van de actualiteit. Helaas valt dat buiten de hoofdlijn van mijn verhaal, maar enkele woorden wil ik er toch aan wijden.
Vanaf het moment dat ze in onze noordelijke landschappen verscheen, in de Romeinse tijd, heeft de stad talloze verschijningsvormen gekend. Maar toch lijkt het er op dat enkele principes daarbij tot in de negentiende eeuw gehandhaafd bleven. Ten eerste is dat de stad als echte nederzetting, als middelpunt van de bewoonde en geordende ruimte. Als nederzetting van bovenlokale betekenis wel te verstaan - als centrale plaats. Altijd werd in dat centrum ruimte gecreëerd voor een integratie van functies: bestuurlijke, economische en sociale, wonen en werken, produceren en consumeren. Voorts was de stad natuurlijk niet autonoom. Er was al vanaf de Romeinse tijd, toen de eigenaars van de grote Romeinse landbouwbedrijven óók nadrukkelijk participeerden in de urbane cultuur, altijd sprake van een bijzondere verhouding met het platteland. Stad en platteland, de urbane en rurale cultuur, vooronderstelden elkaar door de tijd heen op variabele wijze, maar ze vormden altijd een twee-eenheid. Dat zich dat niet beperkte tot de morfologie van het landschap en de wereld van sociaal-economische en politieke betrekkingen, maar tevens uitstrekte tot de wereld van ideeën, noties en representaties, is op mooie wijze beschreven door onder andere Raymond Williams in zijn studie van de wederzijdse beeldvorming van stad en platteland in het vroeg-moderne Engeland.
Nog een laatste constante: tot in de negentiende eeuw bleef, ondanks die interactie, de stad in het landschap altijd herkenbaar als een fysieke entiteit, goed en scherp onderscheidbaar van het omringende platteland. Dat veel van die principes werden verlaten in de 19de eeuw, wijst er uiteraard op dat we het ontstaan van het huidige stedelijk weefsel voor een deel moeten zoeken in de ontwikkelingen in díe periode.
Waar het me hier natuurlijk om gaat, is dat het stedelijke weefsel van de hedendaagse regio op al deze punten de tegenpool is van de historische stad en de historische connotaties van stedelijkheid. Er wordt gesproken van een centrifugale ontwikkeling, perifere stadslandschappen, hybride landschappen enzovoorts, maar geen van die begrippen lijkt, net zo min als het begrip ‘stedelijk weefsel’, recht te doen aan de processen en veranderingen die zich momenteel in onze ruimte voltrekken. Dat weefsel is namelijk niet langer georganiseerd rond de twee-eenheid van stad en platteland, van een urbane en rurale cultuur, rond het principe van vestiging en nederzetting, maar is ontstaan uit het tegenovergestelde daarvan: dynamiek en transformatie, en vooral ruimtelijke verplaatsing, beweging en de circulatie van mensen, goederen en informatie.
Het verbaast dus niet dat de ontwerpopgave steeds meer, in directe zin met die beweging te maken heeft of er qua vormgeving ondubbelzinnig aan refereert. Het interessante van die ruimtelijke beweging is voorts, zo opperde mijn collega Koos Bosma onlangs, dat ze altijd ergens moet raken aan de ondergrond. En dat lijken nu juist de uitzonderlijke concentratiepunten te zijn van het eigentijdse weefsel, waar zich de meeste morfologische veranderingen voordoen. Het is van belang om te constateren, denk ik, dat in dat weefsel ook identiteiten op een andere wijze worden geconstrueerd dan in de ‘premoderne’ ruimte het geval was. De kwalificaties of diskwalificaties ‘stedeling’ en ‘boer’ hebben in onze tijd uiteraard aan betekenis ingeboet. Het zijn nu niet ons plaatsvaste verblijf, grondgebonden bestaan en territoriale noties, maar de ruimtelijke beweging die van ons afwisselend een bewoner, werknemer, toerist of recreant maakt. Ook zijn in het moderne weefsel functies en activiteiten niet langer geïntegreerd, maar worden ze juist ruimtelijk uit elkaar getrokken en gescheiden. Er zijn ruimten om te wonen, te werken, inkopen te doen, te sporten of van de natuur te genieten, al is de beweging daartussen te dominante en vormgevende kracht. In veel opzichten is het nieuwe weefsel dus post-ruraal, maar daarmee direct ook post-urbaan.
Deze nieuwe bewegingsruimte sluit goed aan bij het concept van de netwerksamenleving van de socioloog Castells. Hij bedacht er zelf overigens ook een ruimte bij, de space of flows – het geheel van informatiestromen en de circulatie van beelden en kennis. Maar vreemd genoeg zag hij daarin vooral een virtuele ruimte die slechts hier en daar raakt aan de fysieke. De parallel tussen de space of flows en het morfologische weefsel wordt overigens wél onderkend door de theoretici, meest stedenbouwkundigen, van de zogenaamde sprawl, letterlijk ‘onregelmatige verspreiding’. In feite zijn deze theoretici juist op zoek naar ruimtelijke alternatieven, anti-sprawl dus.
De drie voorbeelden die ik hier heb besproken, de Malanggan van New Ireland, het Grote Verhaal over de geschiedenis van het Nederlandse landschap, en de vormgeving van identiteiten in de bewegingsruimte van het zogenaamde stedelijke weefsel, maken denk ik duidelijk dat we de relatie tussen identiteit en ruimte nog eens grondig moeten onderzoeken. In veel situaties, zowel in niet-westerse als westerse, en zeker in onze tijd, zijn cultuur en identiteit niet noodzakelijk gekoppeld aan specifieke plaatsen, maar leveren juist interactie, uitwisseling, beweging en verandering die condities waarin zelfbeelden en cultureleidentiteiten ter discussie worden gesteld, gereproduceerd of getransformeerd. In elk geval moeten we bereid zijn om vraagtekens te plaatsen bij de veronderstelling dat identiteit duurzaam is verankerd in stabiele plekken en allerlei regionale structuren en gebruiken.
Daarmee kom ik op het derde vraagstuk, dat ik nu eens niet wil formuleren als een misvatting, maar als een open vraag. Die vraag luidt als volgt: Is het in onze huidige leefruimte nog wel mogelijk en wenselijk om culturele identiteiten op een duurzame wijze over te dragen in de vorm van plekken, architectuur, landschappen en regio’s? En voorts: Als we deze vraag bevestigend beantwoorden, kunnen kunstenaars daarbij dan wellicht een bijzondere rol vervullen? Als we om ons heen kijken, en met name als we de blik richten naar de regio, dan blijkt dat voor enkele belangrijke marktpartijen geen vraag maar een zekerheid te zijn.
Voor een mogelijk antwoord op deze moeilijke vraag moet ik misschien eerst duidelijk maken, waarom het lokale en regionale in dit vraagstuk zo prominent op de voorgrond treden. Dat heeft allereerst iets te maken met het heersende beeld van de mondialisering en de veronderstelde effecten daarvan op onze leefruimte.
Lange tijd, vanuit de negentiende eeuw tot ver na de Tweede Wereldoorlog, werd de regio door veel geografen beschouwd als dé uitdrukkingsvorm van een harmonieuze verstandhouding tussen de mens en zijn fysische omgeving, tussen cultuur en natuur. Dat idee was met name sterk ontwikkeld in de regionale geografie van de Franse school. Invloedrijke geografen als Paul Vidal de la Blache gingen ervan uit dat elke regio als het ware een eigen persoonlijkheid bezat, die zich zeer geleidelijk had gevormd onder invloed van menselijke keuzes uit het geheel van de bestaansmogelijkheden die de natuur verschafte. Het was het startpunt van een groot aantal uitwaaierende benaderingen van de regio, waarin de opvattingen over de relaties tussen mens en omgeving nogal eens verschilden, maar de geografische aanpak altijd breed en interdisciplinair was.
Maar vanaf de jaren zestig begon het harmonieuze en organische concept van de regio de eerste haarscheuren te vertonen. Vreemd genoeg lag de inflatie van het regiobegrip al besloten in het gedachtegoed van de regionale geografie zelf. Geografen vreesden dat hun geliefde onderwerp van studie, dat rijke mozaïek van regio’s met hun bijzondere geografische persoonlijkheden, cultuurlandschappen en culturele levensstijlen, op termijn ten prooi zou vallen aan de vervlakkende werking van bovenregionale en internationale ontwikkelingen. Dat maakte dat hun onderzoekstaak verschoof van de beschrijving van die rijkdom naar de documentatie van een wereld die onherroepelijk zou verdwijnen: een ‘lost world’ in de maak. De opheffing van de regio en de regionale bestaanswijze werd dus door de regionaal-geografen voorzien, en vormde uiteindelijk zelfs de raison d’être van hun onderzoek.
Vanaf het moment dat geografen, economen, sociologen en antropologen de mondialisering ontdekten als belangrijk onderzoeksveld, leek het doek voor de regio definitief gevallen. Maar ondanks al die ogenschijnlijke tegenslagen heeft de regio zich de laatste jaren op wonderbaarlijke wijze hersteld, niet alleen in wetenschappelijke theorieën en de geografische begripsvorming, maar ook in de echte wereld waarin wij ons dagelijks begeven. In zijn onlangs verschenen bestseller The World is Flat, beschrijft de wetenschapsjournalist Thomas Friedman hoe ogenschijnlijk uniforme processen de levensvatbaarheid van regionale en lokale instituties juist blijken te voeden en versterken. Onze regio’s worden geenszins opgevreten door mondialiseringsprocessen, stelt hij, maar varen juist wel bij participatie aan wereldwijde netwerken. Een mooi voorbeeld daarvan is te vinden in het boek How Soccer Explains the World, dat door Franklin Foer werd gepubliceerd in 2004. De voetbalsport beweegt zich op een mondiale markt, en spelers worden over grote afstanden ingevlogen om clubs hoger op de ranglijst te brengen. Maar desondanks blijft het voetbalstadion hét strijdtoneel van lokale, regionale en nationale identiteiten.
Om al deze redenen ligt het voor de hand om grote verwachtingen te koesteren van de hedendaagse vormgeving van plekken en regio’s. En inderdaad zien we op deze schaalniveaus een grote belangstelling voor het verleden, voor historische thema’s, voor lieux de mémoire en cultureel erfgoed. Ik zal dat weer proberen te verduidelijken aan de hand van enkele voorbeelden.
De opleving in de belangstelling voor het regionale verleden zien we zich met name voltrekken in de West-Europese regio’s die het moeten hebben van het internationale toerisme. Bretagne, bijvoorbeeld, participeert in culturele en geografische zin in de Keltische wereld, de Monde Celtique. Deze Keltische connectie postuleert een nauwe verwantschap tussen de Bretonse gemeenschap enerzijds en die van Wales en Ierland anderzijds, niet alleen op grond van dialect, muziek, materiële cultuur en veronderstelde etnische herkomst, maar ook op basis van een gesuggereerde verwantschap tussen lieux de mémoire. Steden als Lorient en Quimper worden in dat geografische netwerk moeiteloos gekoppeld aan prehistorische monumenten als Carnac en Stonehenge, ook al staat wel vast dat deze laatste -althans in oorsprong- niets van doen hebben met de Keltische samenleving en cultuur. Maar wat hier natuurlijk interessant is, is dat de regio binnen een internationaal netwerk gebruik maakt van een gedeeld verleden om haar zelfbeeld en identiteit te voeden, en zich juist weer te onderscheiden van andere Franse regio’s.
In het aangrenzende Normandië geschiedt dat niet geheel toevallig op geheel andere wijze. De identiteit van deze regio wordt zorgvuldig geconstrueerd rond de collectieve herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. In het Normandische landschap nemen uiteenlopende nationaliteiten, met name de Franse, Amerikaanse, Britse en Canadese, deel aan een competitieve herdenkingscultuur. Dat heeft er met name de laatste decennia toe geleid dat over de regio een heel weefsel van gespecialiseerde musea en herdenkingsplekken is uitgelegd, waarbinnen sprake is van meer of minder subtiele claims op plekken en land, en de daaraan verbonden herinneringen en gebeurtenissen. Goede voorbeelden daarvan zijn de Point du Hoc, dat zelfs officieel Amerikaans grondgebied is, en het museum van Juno Beach, waar de Canadezen hun bijzondere rol in de stapsgewijze bevrijding van Europa toelichten, uit expliciete frustratie over het Britse en Amerikaanse ‘copyright’ op het bevrijdingsverhaal. Ook hier geldt weer, dat de regio haar historische identiteit ontleent aan een mondiaal netwerk, waarbinnen identiteiten op een ingewikkelde manier met elkaar zijn verknoopt en het verleden in hoge mate is gepolitiseerd.
En zoals vaker gebeurt, wordt het verleden ook hier gezuiverd van nare en minder wenselijke elementen en gebeurtenissen, niet alleen omdat dat de commercie beter uitkomt, maar ook omdat de regionale identiteit een positief zelfbeeld of romantische verbeelding van het verleden nodig heeft.
Het is niet moeilijk om deze voorbeelden aan te vullen met andere. Het landschap van de Somme vertelt het verhaal over de Eerste Wereldoorlog, La Grande Guerre, Vlaanderen is weer bij uitstek de regio van de Middeleeuwse stad en de Middeleeuwse rurale cultuur, het westelijke deel van Nederland uiteraard van de historische strijd tegen het water, en in het Duitse Rijnland vinden we weer opvallend veel reconstructies van Romeinse gebouwen. Dit alles heeft gevolgen voor de morfologie van het ruimtelijke weefsel waar ik het eerder over had. De regionale herinneringsculturen werken namelijk niet alleen door in de musealisering van plekken en landschappen, denk maar aan de Unesco Werelderfgoedlijst, maar ook in de representatie en marketing van plekken en de vormgeving van eigentijdse architectuur en toeristisch-recreatieve netwerken. Een rondreis door Europa krijgt daardoor iets van een grillige reis door de tijd, waarbij chronologische lijnen en de officiële geschiedschrijving veel minder belangrijk zijn dan flexibele regionale identiteiten en historische selecties.
Er is nog een ander verband waarneembaar tussen de hedendaagse vormgeving van regio’s en de belangstelling voor regionale identiteit, en om dat te illustreren keer ik terug naar Nederland. Eerder merkte ik op dat we de ruimtelijke ontwikkelingen in de regio in veel opzichten kunnen kenschetsen als post-ruraal, post-industrieel en zelfs in zekere zin als post-urbaan. In de meeste Nederlandse regio’s hebben niet alleen de grondgebonden landbouw en de vertrouwde rurale cultuur terrein moeten prijsgeven, maar ook het traditionele bedrijf dat zo nadrukkelijk vorm gaf aan de stad. Philips, bijvoorbeeld was niet zo maar een industrieel imperium, maar was in het Eindhoven van de vorige eeuw een bedrijf met een familiestructuur, dat zorg droeg voor werk en ontspanning, opleiding en sociale voorzieningen, en voor een werk – een woonplek. In andere steden en regio’s vervulden bedrijf en industrie eenzelfde rol.
Na 1980 verloor het Philipsconcern geleidelijk zijn leidende positie in de internationale electrotechnische industrie. De connectie met de regio Eindhoven werd zwakker en het concern verhuisde zijn hoofdvestiging naar Amsterdam. Het is dus niet vreemd dat de regio op zoek is naar nieuwe mogelijkheden voor economische ontwikkeling, en eigenlijk naar een nieuwe sociaal-economische identiteit. Wie de website van de stad bezoekt leest dat Eindhoven zich profileert als een nieuwe, creatieve stad, net als alle andere Nederlandse steden overigens, die zich beroept op haar rijke industriële verleden en dat illustreert met haar materiële erfgoed. Bedrijfsgebouwen van Philips, woonwijken en directiewoningen, het Philipsstadion en de lichttoren, maar ook verhalen en herinneringen, worden gecombineerd in één toeristische route die een nieuwe ruimtelijke structuur verleent aan het verleden van de stad. Er wordt gezocht naar nieuwe bestemmingen voor de bedrijfsgebouwen, en het industrieel erfgoed vormt inmiddels het uitgangspunt voor nieuwe stedenbouwkundige concepten. In al deze gevallen worden onderdelen van de stedelijke omgeving benut als symbolisch kapitaal. Ze dragen de boodschap uit dat het zin heeft om in de regio te investeren, om je er als hoogopgeleide of ondernemer te vestigen, of er gewoonweg op bezoek te gaan om het verleden te aanschouwen. Een regio derhalve, die op zoek is naar nieuwe ruimtegebruikers, nieuwe vormen van werkgelegenheid, en een nieuwe, post-industriële identiteit.
Al deze voorbeelden maken duidelijk dat het heel goed mogelijk is om vorm te geven aan regionale identiteiten, en om het verleden daarbij als uitgangspunt en grondstof te kiezen. Of het in deze vorm ook wenselijk is, is weer een andere vraag. Een probleem met dit soort ontwikkelingen is dat de ingewikkelde en gelaagde geschiedenis van regio’s veelal wordt vereenvoudigd tot een enkel historisch beeld, een icoon of een simpele personificatie van het lokale of regionale verleden. Amsterdam heeft de grachtengordel, Rembrandt en Anne Frank, Rotterdam de naoorlogse architectuur en Erasmus, Eindhoven heeft Philips en Maastricht heeft Bonifatius en Regout. Maar vaak weerspiegelen deze iconen slechts de keuzes van marketing specialisten, projectontwikkelaars en zich profilerende bestuurders, en niet per definitie de herinneringen en historische ervaringen van bewoners, bezoekers en andere, minder invloedrijke ruimtegebruikers. En bovendien weerspiegelen deze beelden, iconen en personificaties meestal een gewenste of gezuiverde geschiedenis. In Maastricht werd onlangs betoogd dat het misschien weer eens tijd wordt om een lokale historische held als Regout te eren als gangmaker van de regionale economie. Maar dat deze negentiende-eeuwse keramiekbaron een kwalijke rol heeft gespeeld bij het instandhouden van de kinderarbeid bleef in dat verband zorgvuldig toegedekt. Het pijnlijke verleden laat zich nu eenmaal niet zo gemakkelijk consumeren. En niet elk aspect van het verleden oefent de gewenste aantrekkingskracht uit op investeerders, projectontwikkelaars en gezinnen met een hoog inkomen. De vereenvoudiging van het regionale verleden tot een statisch en eendimensionaal beeld leidt in veel gevallen tot historische vervlakking, ruimtelijke uniformering en zelfs verzadiging of irritatie. Wie kennis heeft gemaakt met het Oude Leiden van Rembrandt, of misschien moet ik zeggen de Nieuwe Rembrandt van Leiden, kan dat waarschijnlijk onderschrijven. Waar Rembrandt drie jaar geleden nog non-existent was, zijn Rembrandt en de Gouden Eeuw nu alomtegenwoordig, in de vorm van een Rembrandt-Ontvangsthal, Rembrandt-tentoonstellingen, een Rembrandt-shop, tientallen gevelvullende reproducties, op het verleden geïnspireerde kunstwerken, reconstructies, theateruitvoeringen en manifestaties, Rembrandt-chocolaatjes en stropdassen, Rembrandtwijn en tenslotte een speciale Rembrandt-opslag voor de betalers in de Leidse hotels.
Het is uiteraard onrealistisch om te veronderstellen dat dit soort economische gebruiksvormen van het regionale verleden effectief zouden kunnen worden bekritiseerd, afgeremd of genuanceerd. En misschien mag dat ook niet het belangrijkste doel zijn van het ruimtelijke debat over regionale identiteit. Wél kunnen we van ontwerpers, kunstenaars en historici verwachten dat zij alternatieve omgangsvormen bedenken waarin historische gelaagdheden, weerbarstige geschiedenissen, nuances en verschillen de ruimte krijgen die ook zij verdienen.
Dat neemt niet weg dat ook deze alternatieven weer hun specifieke problemen met zich meebrengen. Een geschiedenis die de verlokkingen van de volledigheid en eindeloze nuancering niet kan weerstaan, loopt weer het gevaar krachteloos of onnodig belastend te worden, en kan de samenleving zelfs verlammen bij het zoeken naar eigentijdse oplossingen voor eigentijdse vraagstukken. Dat probleem valt al te herkennen in de worsteling met erfenissen in Berlijn. West-Berlijn, zo stelt de Duitse historicus Rudolph, ‘weet nog steeds niet wat het is, behalve geschiedenis die voorbij is’. En hij vervolgt met de opmerking dat de stad moet zoeken naar een nieuwe status, als geen andere regio in Europa. Door de vele belangwekkende historische gebeurtenissen en cultuurverschuivingen die zich in Berlijn hebben voorgedaan, is het verleden hier de meest voor de hand liggende bouwstof voor de verdere vormgeving van de regio. Maar voor welk verleden moet de regio nu eigenlijk blijvend een plaats inruimen? Is dat voor de bloeiperiode rond 1900, de tijd dat Duitsers en joden er nog vreedzaam samenleefden, de beladen rol van de stad in de Tweede Wereldoorlog, de tijd van wereldverbeteraars en avant-garde in de jaren ‘70 en `80, of de val van de muur en de Eenwording van Duitsland, of dat alles te samen?
In alle pogingen om historische en culturele identiteiten weer relevant te maken voor het lokale, als antwoord op de effecten van mondialiseringsprocessen, zit dus ook iets contraproductiefs. Reden te meer om in het algemeen wat kritischer te kijken naar de bestaansmogelijkheden voor lokale en regionale identiteit in die bewegingsruimte die zich om ons heen steeds sneller uitbreidt. Voor zo’n kritiek baseer ik me op een recent boek van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, Im Weltinnenraum des Kapitals. Daarin geeft hij een aantal ingewikkelde maar rake beschrijvingen van de mondialisering en de ruimtelijke principes die daaraan ten grondslag liggen. Zowel voor- als tegenstanders van de mondialisering menen, aldus Sloterdijk, dat de mondialisering is gebaseerd op de zogenaamde ‘samenpersbaarheid’ van de leefruimte. Dat begrip moeten we in eerste instantie niet al te letterlijk opvatten. Het gaat immers om iets relatiefs, niet om een absolute inkrimping van de ruimte, maar om een verkorting van de afstand en een vergroting van de onderlinge bereikbaarheid van plekken. Maar misschien is dat wel iets te veel geredeneerd vanuit een ‘premoderne’ perceptie van de ruimte. In die samenpersing van de ruimte zit haast iets programmatisch. Ze brengt plekken nader tot elkaar en zorgt daarmee voor een snelle en omvangrijke verspreiding van dominante culturele en economische waarden, niet in de laatste plaats die van het kapitalisme en het huidige neoliberalisme, zo stelt Sloterdijk. Daardoor leidt de samenpersing van de ruimte ook onherroepelijk tot een symmetrische ruimte, waarin plekken weliswaar niet volstrekt identiek zijn, maar dan toch in sterke mate inwisselbaar en vergelijkbaar, en misschien niet volstrekt gelijkvormig, maar wel meetkundig gelijkwaardige punten. Voorstanders zien dat als een zegen, als een oplossing voor grote sociaal-economische en internationaal-politieke vraagstukken, tegenstanders als een bedreiging voor het mozaïek van lokale culturen en culturele verschillen. Dat proces is echter al vroeg in gang gezet. De grote wereldreizen tijdens de Renaissance baanden de weg voor een wereldmarkt, én voor de wereldwijde verspreiding van westerse culturele waarden en religieuze overtuigingen. Want met de ontdekkingsreizigers en de eerste handelaren in hun kielzog verspreidden ook de christelijke ruimtebeleving en architectuur zich snel over het aardoppervlak.
De principes van deze ruimte-revolutie zijn nog steeds werkzaam, niet in de laatste plaats in het stedelijke weefsel waar we het eerder over hadden. Om dat enigszins voorstelbaar te maken gebruik ik een artikel uit het NRC van vorige week. Op heldere wijze visualiseert dit artikel de voortgaande samenpersing van de ruimte met de technologische ontwikkelingen in het treinverkeer. Dit voorbeeld maakt ook weer duidelijk dat de ruimtelijke verplaatsing en beweging de leidende principes zijn, en niet de plaatsgebonden activiteit en het plaatsbesef.
Het programmatische van deze samenpersing kan ook worden opgevat als een synchroniseringsproject, om de woorden van Sloterdijk te gebruiken. Plekken die voorheen van elkaar werden gescheiden door een haast onoverbrugbare wereld, worden niet alleen dichter bij elkaar gebracht, maar ook de tijdsafstand ertussen verdampt geleidelijk. Mondialiseringsprocessen behelst daarom niet alleen een inkrimping van de ruimte, maar ook van de beleefde tijd. En in zo’n samengeperste wereld zijn historische verdiepingen en zichtbare tijdslagen misschien wel minder vanzelfsprekend dan wij denken, als we ons buigen over de vraagstukken van lokale en regionale identiteit.
Die synchronisering van plekken is, vermoed ik, ook afleesbaar aan de omgang met het lokale en regionale verleden. Het verleden wordt eigenlijk steeds minder ruimte gegund om op eigen voorwaarden in het landschap te kunnen voortbestaan. Het verleden houdt op anders en oneigentijds te zijn, doordat het blijkbaar overal moet worden verpakt in eigentijdse vormen en ontwikkelingen, van re-enactments en reconstructies tot architectuur en kunst, om het zo een welgedefinieerde plaats te geven in de eigentijdse regio. Daardoor gaat van alle ruimtelijke, economische en culturele transformaties waarin op een krampachtige manier gebruik wordt gemaakt van het verleden, ook weer een vervlakkende werking uit. De regio als nieuwe symmetrische ruimte dus, ondanks of misschien wel dankzij de eigentijdse vormgeving van het verleden. Daarin schuilt misschien wel het grootste gevaar van het opnieuw vorm geven aan historische plekken en identiteiten. Deze verliezen dan namelijk veel van hun oorspronkelijke zeggingskracht doordat ze al te zeer worden vermengd met de vormentaal van onze eigen tijd.
De vraag is dus of we alternatieve routes kunnen uitstippelen, waarbij kunstenaars, ontwerpers, historici, maatschappijwetenschappers, maar vooral ook bestuurders en beleidsmakers een rol van betekenis kunnen spelen. De rol van kunstenaars moeten we daar misschien even uitlichten, omdat zij toch het vermogen hebben om een ander perspectief in te nemen dan wetenschappers en bestuurders, maar vooral omdat ze –net als ontwerpers overigens- op alternatieve manieren onderzoeken. In zijn afsluitende stuk oppert Sjoerd Cusveller dat kunstenaars wel eens de rol van creatieve antropoloog zouden kunnen vertolken, een idee dat intrigeert en tot de verbeelding spreekt. Op de een of andere manier spreekt zo’n combinatie van onderzoeken en participeren, ook aan de vormgeving van de ruimte, erg aan. En langs die lijn wil ik wat verder doordenken. Want wat houdt dat onderzoek dan in, en hoe zou die participatie aan ontwerp en vormgeving eruit kunnen zien?
Ik zie zelf een aantal mogelijkheden om op nieuwe manieren invulling te geven aan het idee van lokale en regionale identiteit. Ten eerste is het denk ik van belang dat zo’n creatieve antropologie niet te veel moet worden opgezadeld met duurzame oplossingen in de sfeer van vormgeving. En ik heb het gevoel dat we ons dan enigszins moeten af bewegen van het idee dat we op nadrukkelijke en duurzame wijze vorm kunnen geven aan historische identiteiten.
Een interessant alternatief heb ik indirect aangetroffen in het eerder genoemde boek van Sloterdijk. Hij stelt namelijk, dat inmiddels wel duidelijk is geworden dat niet alle ruimte zich laat samenpersen door mondialiseringsprocessen. Er is ook een niet-samenpersbare ruimte, en die raakt aan de grondtrek van de menselijke leefwereld. Dat klinkt nogal abstract, maar hij geeft er ook concrete voorbeelden van. Zoals cocooning: een ruimtelijk gedragspatroon dat psychologen herkennen in de leefwijze van mensen die vaak en ver reizen. Deze reizigers, die natuurlijk bij uitstek de bewegingsruimte personifiëren, blijken er allerlei rituelen en gebruiken op na te houden om ervoor te zorgen dat ze op iedere plek een herkenbare omgeving kunnen creëren. Een soort fundamentele behoefte aan het wonen en een vaste woonplek dus. Sloterdijk stelt voor, en ik volg hem daarin als ik suggesties moet aandragen voor die creatieve antropoloog van Sjoerd Cusveller, dat we deze uitingen van de niet-samenpersbare ruimte verder moeten onderzoeken, en misschien liggen daar dan ook kansen voor het onderzoekend ontwerp. De nadruk ligt dan niet op het vorm geven aan historische verhalen en substanties, maar eerder op het ontwerpen van de voorwaarden voor de constructie van identiteiten. En interessant is in dit geval voorts, dat we niet per se de verloren gewaande plekken van het premoderne landschap nieuw leven hoeven in te blazen, maar aanknopingspunten zoeken in de ruimte zoals deze zich nu ontwikkelt. In dat verband zijn meer voorbeelden te noemen. Zo lijken zich rond rustpunten in de beweging, zoals stations, spontaan weer allerlei verwevingen en integraties van functies en betekenissen voor te doen.
De regionale voorbeelden die ik eerder gaf, en waarin zo nadrukkelijk het accent lag op branding en marketing van de streek, laten zien dat een overdadige of exhibitionistische vormgeving van identiteiten vaak een ongewenst en vervlakkend effect heeft op de ruimte en de ruimtelijke beleving. Misschien zouden kunstenaars en ontwerpers waar het de ruimtelijke identiteit betreft ook eerder moeten denken aan onderzoek en aan het ontwerpend interveniëren in processen, en minder aan het daadwerkelijk construeren of vormgeven van identiteiten. Een mooi voorbeeld van zo’n interventie, dat ik al eerder in een lezing heb aangehaald, is een oud maar nooit gerealiseerd ontwerp voor Auschwitz van Oskar en Sofia Hansen. Om te beginnen stelden ze voor de beruchte poort met het opschrift ‘Arbeit macht frei’, dat u eerder voorbij zag komen, nu trouwens een gewilde lokatie voor groepfoto’s van toeristen, af te sluiten voor het publiek. Niemand mocht Auschwitz ooit nog door deze poort betreden. Bezoekers moesten op het terrein komen door een kleine opening in het prikkeldraad. Vanaf dat punt moesten ze over een zestig meter breed en duizend meter lang pad van graniet het vernietigingskamp diagonaal oversteken tot aan de crematoria. Dat pad moest iets hoger liggen dan het maaiveld, zodat van direct contact met het oude oppervlak geen sprake kon zijn. In het pad zouden rechthoekige gaten worden uitgespaard op de plaats van de barakken. Daarbinnen wilden de ontwerpers volstaan met de ruïnes, die bovendien in de loop der tijd zouden veranderen. Nergens langs het pad zouden monumenten worden geplaatst en de meest beladen plekken, zoals de gaskamer, zouden vanaf het pad niet te bereiken zijn. Het plan voor de crematoria voorzag in een geleidelijk erosieproces van ruïne tot begroeiing. Gedurende enige tijd zou de natuur opnieuw bezit nemen van dit oord, zodat de onderliggende lagen van het verleden in de verre toekomst door archeologen konden worden opgegraven. Het ontwerp was bedoeld als een vorm van historische overlevering, als een bewuste interventie in het ontwikkelingsproces van de plek, maar zonder dat de plek daardoor een gemakkelijk object zou worden van ongewenste vormen van musealisering of indentificatie.
Het wordt zo onderhand tijd voor enkele afsluitende opmerkingen. Mijn verhaal van vanavond moet u vooral beschouwen als een pleidooi voor een meer en diepgravender onderzoek naar de ingewikkelde relaties tussen ruimte, vormgeving en culturele identiteit, bijvoorbeeld in het zogenaamde ‘onderzoekend ontwerp’. Maar een goed begin van zo’n onderzoek hebben we eigenlijk al in handen, namelijk met het zojuist gepresenteerde boek over regionale identiteit onder redactie van Sjoerd Cusveller en Liesbeth Melis. Het boek maakt duidelijk dat ruimtelijke vormgevers en kunstenaars ons iets nieuws kunnen vertellen over de wijze waarop culturele identiteiten kunnen worden vertaald naar de plekken, regio’s en landschappen van onze tijd. Ik denk echter dat dit boek niet alleen een mooi en zinvol uitgangspunt vormt voor de discussie over het identiteitsvraagstuk, maar dat het ons ook in de gelegenheid stelt om de ruimte weer op de culturele agenda van Nederland te plaatsen, een agenda waarop het, met het sobere economische beleid van ons land in de laatste jaren, veel te lang heeft ontbroken.
Ik dank u voor uw aandacht.
29 september 2006, Nederlands Architectuur Instituut, Rotterdam
Stichting Kunst en Openbare Ruimte