Arjen Mulder, Onthullingen van gene zijde

Vrijheid van cultuur
Regulering en privatisering van intellectueel eigendom en openbare ruimte
Door het toenemend aantal conflicten tussen het publieke en private met betrekking tot het eigenaarschap en het beheer van kennis en cultuur is het denken over het gemeenschappelijke binnen het publieke domein onder druk komen te staan. ‘Vrijheid van cultuur’ dringt zich op als urgente kwestie van juridisch en ethisch belang. In hoeverre kan cultuur en kennis vrij worden gedistribueerd, uitgewisseld of toegeëigend? En welke garantie is er voor plekken waar het gemeenschappelijke zich kan manifesteren en kan worden bediscussieerd?
In dit nummer van Open ligt de nadruk op vragen rond de privatisering van intellectueel eigendom en worden modellen getoond voor een alternatieve stedenbouwkundige praktijk, die de openbare ruimte haar publieke dimensie terug kan geven.
Illegaal kopiëren en vervalsen hebben een slechte naam, maar menig kunstenaar heeft er een prachtoeuvre aan te danken. De muziek die Franco et le T.P.O.K. Jazz in de jaren tachtig in Zaïre op LP uitbrachten, was binnen een maand of vier in het hele land op illegale cassettes te koop. Hun methode om deze roofhandel voor te blijven was geniaal: ze maakten elke drie maanden een nieuwe LP. Dat leverde hun een besmeerde boterham en ons 150 platen met geweldige dansmuziek op.
Etser en schilder Anton Heyboer deed iets vergelijkbaars. Om zijn vijf vrouwen ook na zijn dood een inkomen te garanderen, schilderde hij dagelijks tientallen doeken in zijn karakteristieke stijl, waar dan groot zijn handtekening onder werd gezet. De weduwen hebben er nog pakhuizen vol mee en verkopen ze onder het motto: "Alleen van wat u bij ons in Den Ilp koopt, weet u zeker dat het echt is."
Ergens in de Nederlandse polder staat een grote schuur met mooi bovenlicht waar vakbekwame schilders en zeefdrukkers aan de lopende band litho's produceren van kunstenaars als Brood, Corneille en Appel. In kleinere, stedelijke ateliers wordt het werk van Picasso, Matisse, Dali, Chagall, Giacometti en Hockney vervaardigd.
De enige die echt zijn voordeel met deze democratisering van de kunst heeft gedaan, is Karel Appel. In zijn beginjaren was hij vaak te arm om doeken en verf te kopen, dus veel is er uit die tijd niet overgeleverd. Toen doken opeens onbekende vroege werken op. Men legde ze aan de schilder voor, en die moet hebben gedacht: dat kan ik nooit hebben gemaakt in dat jaar, anderzijds, het is niet gek gedaan, als ik toen het geld had gehad zou ik zoiets hebben geschilderd, misschien die bovenste veeg wat feller en vager, maar toch, weet je wat, ik zeg gewoon dat het er een van mij is. Die bevestiging moet de makers van het doek aangenaam hebben verrast en aangespoord nog beter vroeg werk te vervaardigen.
Binnenkort worden ook literaire teksten ontdekt die, als hun auteur nog leefde (of leeft), door hen zullen worden herkend als geschreven in hun allereigenste omgang met zinsbouw en taalassociaties. Hadden ze maar wat meer rust, tijd en concentratie gehad, dan zouden zij ze zelf hebben kunnen schrijven! Als auteursnamen grote merken zijn met dito prijsstelling, wordt het rendabel ze te vervalsen. Thomas Pynchons oeuvre wordt al door zo'n team geschreven.
Sommige schrijvers anticiperen op deze ontwikkeling en ontwikkelen een stijl die zo typisch is, of juist zo generiek, dat ze zonder al te veel problemen volmaakt kan worden nagedaan door de collega schrijvers die later de gaten in hun literaire oeuvre zullen invullen. Anderen pogen deze ontwikkeling vóór te zijn door Pessoa na te volgen en zoveel nieuw en onbekend werk voor de bureaula te schrijven dat er bij overlijden genoeg klaarligt om de markt nog minstens zeventig jaar te voorzien. Bij ons is in de afgelopen vijftien jaar het oeuvre van Nescio, Hanlo, Elschot en Ida Gerhardt verdubbeld door de uitgave van opeens ontdekte brieven en aantekeningen.
Andere auteurs willen authentiek blijven en zijn gaan schrijven in een stijl die nooit zal worden vervalst omdat niemand er nu al een touw aan vast kan knopen. Of is het beter om helder voor een kleine groep van aandachtige lezers te schrijven en die zulke rijke uren te bezorgen dat je ze niets naders hoeft te verklaren via radio of tv, zodat je ook nooit beroemd wordt?
Ik weet het niet. Als ik me afvraag wat ik prachtig zou vinden dat er na mijn dood gebeurt, denk ik aan Nicola Tesla. Postuum dicteerde hij de ene na de andere dikke pil aan een medium in Wales, of was het in het Oostblok? Mij maakt het niet uit wie het opschrijft. Op een dag gaat een vrouw achter een computer zitten en begint te typen. Ze schrijft niet, ze geeft door wat ze een stem van buitenaf hoort dicteren aan haar innerlijke oor. Die stem ben ik. Ik kom met nieuwe essays, dichtbundels, meeslepende romans, met reisverslagen, filosofische werken en onthullingen van gene zijde. Ik geef bij deze mijn nakomelingen toestemming alles te authentiseren, mits het werk maar net zo is als wanneer ik het zou hebben geschreven. Rommel willen we niet. Een kunstenaar leeft niet voort in zijn oeuvre, maar in zijn vervalsingen. Vind mij zo vaak mogelijk opnieuw uit, dan.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte






